Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-01
ECLI:NL:RBZWB:2024:6661
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,697 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11215
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] (Zwitserland), belanghebbende,
(gemachtigde: [naam] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 9 november 2023.
1.1.
Belanghebbende is in bezwaar gekomen tegen de inhouding van loonbelasting op haar AOW-uitkeringen over de tijdvakken juni 2023 en juli 2023.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben gemachtigde, die de echtgenoot is van belanghebbende, en de inspecteur deelgenomen. Namens de inspecteur zijn mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] verschenen. De zaak is tegelijk behandeld met die van de echtgenoot met zaaknummer BRE 21/3682.
Feiten
2. Belanghebbende woont in Zwitserland en ontvangt AOW-uitkeringen uit Nederland. Op de AOW-uitkeringen zijn geen premies volksverzekeringen ingehouden. Belanghebbende heeft in het verleden een aantal jaar vrijwillig premies volksverzekeringen betaald.
2.1.
Op grond van het nationale recht mag Nederland belasting heffen over de AOW-uitkeringen. Artikel 7.2 van de Wet IB luidt in dat verband, voor zover van belang, als volgt:
‘Het inkomen uit werk en woning in Nederland is het gezamenlijke bedrag van:
(…)
e. de rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen van publiekrechtelijke aard van of namens een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon;
(…)’
2.2.
Per 30 november 2020 is het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland ter voorkoming van dubbele belasting gewijzigd, waardoor Nederland op grond van het verdrag het heffingsrecht (tot maximaal 15%) heeft gekregen over de AOW-uitkeringen.
2.3.
Artikel 18 van het Verdrag luidt, voor zover van belang, als volgt:
‘1. Pensioenen en andere soortgelijke beloningen, alsmede lijfrenten, waaronder afkoopsommen betaald in plaats van een pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente, afkomstig uit een Verdragsluitende Staat en betaald aan een inwoner van de andere Verdragsluitende Staat en betalingen krachtens de bepalingen van de socialezekerheidswetgeving van de eerstgenoemde Verdragsluitende Staat en betaald aan een inwoner van de andere Verdragsluitende Staat mogen in de eerstgenoemde Verdragsluitende Staat worden belast. Indien echter dergelijke betalingen een periodiek karakter dragen (met uitzondering van afkoopsommen betaald in plaats van een pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente) mag de aldus geheven belasting niet meer bedragen dan 15 percent van het brutobedrag van de betaling.
2. Een pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente wordt geacht afkomstig te zijn uit een Verdragsluitende Staat voor zover de met het pensioen of een andere soortgelijke beloning of lijfrente samenhangende bijdragen of betalingen, dan wel de aanspraken op dit pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente in die Staat in aanmerking zijn gekomen voor een fiscale tegemoetkoming.
(…)’
2.4.
In de toelichting bij het Wijzigingsprotocol is met betrekking tot de socialezekerheidsuitkeringen onder meer het volgende opgenomen:
‘Met artikel 4 van het Wijzigingsprotocol wordt artikel 18 van het Verdrag in zijn geheel vervangen door een nieuw artikel 18. Het oorspronkelijke artikel 18 van het Verdrag wijst het heffingsrecht over pensioenen, andere soortgelijke beloningen en lijfrenten (hierna kortweg: «pensioenen»), en socialezekerheidsuitkeringen toe aan de woonstaat van de genieter daarvan. Maar in bepaalde gevallen mogen op basis van het oorspronkelijke artikel 18 van het Verdrag deze inkomsten ook worden belast in de andere Staat (bronstaatheffing). Dat is het geval als de opbouw van het pensioen of de socialezekerheidsuitkeringen in de bronstaat fiscaal is gefacilieerd, deze inkomsten in de woonstaat niet regulier worden belast en deze inkomsten in een kalenderjaar meer bedragen dan € 20.000. Daarnaast geldt op basis van het oorspronkelijke artikel 18, derde lid, van het Verdrag voor afkoopsommen van pensioenen een bronstaatheffing, wanneer de uitbetaling daarvan heeft plaatsgevonden vóór de datum waarop het pensioen is ingegaan. In overeenstemming met onderdeel 2.11 van de NFV heeft Nederland een aanpassing van deze toewijzingsregels voorgesteld in de zin dat de bronstaat een heffingsrecht verkrijgt zonder de beperkingen wat betreft de reguliere belastingheffing in de woonstaat en zonder de begrenzing tot inkomens van meer dan € 20.000. Maar met een zodanig hieruit voortvloeiend generiek heffingsrecht voor de bronstaat kon Zwitserland niet instemmen. Een compromis is gevonden door enerzijds uit te gaan van de door Nederland voorgestelde vereenvoudiging van de voorwaarden voor een heffingsrecht van de bronstaat maar anderzijds door dat heffingsrecht te beperken tot maximaal 15% over het brutobedrag van de pensioen- en socialezekerheidsuitkeringen indien het reguliere, periodieke uitkeringen betreft. Ingeval van een uitkering ineens, zoals bij afkoop van pensioenaanspraken het geval kan zijn, is het heffingsrecht van de bronstaat niet beperkt tot 15% van het brutobedrag, maar mag de bronstaat de niet-periodieke uitkering volledig belasten. In vergelijking met de in het oorspronkelijke artikel 18, derde lid, opgenomen regeling ziet de nieuwe regeling op niet-periodieke uitbetalingen ongeacht het moment van de uitbetaling. Deze in het eerste lid van het nieuwe artikel 18 opgenomen bronstaatheffing is van toepassing op pensioenen die «afkomstig» zijn uit een Verdragsluitende Staat en op socialezekerheidsuitkeringen die worden betaald onder de socialezekerheidswetgeving van een Verdragsluitende Staat. In het tweede lid is bepaald wanneer een pensioen geacht wordt uit een Verdragsluitende Staat «afkomstig» te zijn. Dat is het geval voor zover de met het pensioen samenhangende bijdragen of betalingen, dan wel de aanspraken op dit pensioen, in die Staat in aanmerking zijn gekomen voor een fiscale tegemoetkoming. Een nettopensioen en een nettolijfrente worden niet geacht in aanmerking te zijn gekomen voor fiscale tegemoetkoming. Hiervoor bestaat immers geen recht op premieaftrek en geldt, kort gezegd, de omkeerregel niet. Dit betekent dat het heffingsrecht over de uitkeringen volgens een nettopensioen of een nettolijfrente (op grond van artikel 21 «Overige inkomsten») aan de woonstaat toekomt. Deze bepaling is gelijkluidend aan de eerste volzin van het oorspronkelijke artikel 18, vierde lid. Maar de tweede volzin daarvan is niet overgenomen. De bepaling in die volzin dat de overdracht van een pensioen van een pensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij van een Verdragsluitende Staat naar een pensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij in enige andere Staat het heffingsrecht van de bronstaat niet aantast, vloeit naar de mening van Nederland en Zwitserland al voort uit die eerste volzin en is daarom overbodig. In het derde lid van het nieuwe artikel 18 is een definitie opgenomen van het begrip «lijfrente». Deze is gelijkluidend aan de definitie die is opgenomen in artikel 18, zesde lid, van het oorspronkelijke artikel 18.’
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of terecht loonbelasting is ingehouden over het gehele bedrag aan AOW-uitkeringen, inclusief het deel dat is opgebouwd zonder fiscale faciliëring.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat terecht loonbelasting is ingehouden over het gehele bedrag aan AOW-uitkeringen. De rechtbank verwijst naar de rechtsoverwegingen in de zaak van de echtgenoot (met zaaknummer BRE 21/3682) waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht en die zij hier als ingelast beschouwt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende de ingehouden loonbelasting niet terugkrijgt. Belanghebbende krijgt daarom ook het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 1 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Artikel 7.1, onder a, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) in samenhang met artikel 7.2, tweede lid, onder e, van de Wet IB.
Artikel 18, eerste lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting, geldend vanaf 30 november 2020 (het Verdrag).
Onderdeel II.4 van het Protocol tot wijziging van het Verdrag van 26 februari 2010 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Kamerstukken II 2018/2019, 35 278, nr. 1, p. 9-10 (het Wijzigingsprotocol).