Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-09-25
ECLI:NL:RBZWB:2024:6601
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,924 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11021462 \ CV EXPL 24-1075
Vonnis van 25 september 2024
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: [gemachtigde] , [bedrijf] ,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 mei 2024 en de daarin genoemde stukken,
- het e-mailbericht van 15 augustus 2024 van [bedrijf] met producties 4 tot en met 15,
- de mondelinge behandeling van 28 augustus 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Namens VGZ is haar gemachtigde [gemachtigde] verschenen op de mondelinge behandeling. [gedaagde] is niet op de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Waar gaat de zaak over?
2.1.
Tussen partijen geldt een zorgverzekeringsovereenkomst. Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] een maandelijkse premie aan VGZ verschuldigd. [gedaagde] is door VGZ meerdere malen aangemaand de achterstallige premiebetalingen te voldoen.
Geschil
3.1.
VGZ vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:
I. € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over de openstaande hoofdsom, gerekend vanaf datum dagvaarding tot de dag dat de vordering is betaald,
II. de proceskosten.
3.2.
VGZ legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting om de maandelijkse premie op tijd aan VGZ te voldoen en verkeert daardoor in verzuim. Hoewel de vordering (iets) hoger is, kiest VGZ ervoor om de vordering te beperken tot € 2.500,00.
3.3.
[gedaagde] voert het volgende verweer. [gedaagde] betwist de vordering van VGZ en stelt dat na een betalingsachterstand door het CAK loonbeslag is gelegd, wat later werd beëindigd. Hij ontkent dat er nog een schuld openstaat. Hij geeft verder aan dakloos te zijn geweest, waardoor hij niet alle correspondentie meer heeft. [gedaagde] wil dat zijn BKR-registratie wordt verwijderd en is bereid een mogelijke schuld via een betalingsregeling te voldoen.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] een premieachterstand bij VGZ heeft laten ontstaan. VGZ heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat [gedaagde] bij het CAK is aangemeld, omdat hij op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats had. Daarbij zijn er inderdaad betalingsregelingen afgesproken, maar deze zijn niet correct door [gedaagde] nagekomen. Hij heeft namelijk weliswaar de betalingen conform de afgesproken betalingsregelingen (tijdelijk) verricht, maar heeft toen niet de lopende premiebetalingen voldaan. Daardoor is de regeling komen te vervallen. De achterstand is toen niet meer ingelopen. [gedaagde] is dus wel degelijk de premieachterstand verschuldigd.
4.2.
Het voorgaande is niet door [gedaagde] weersproken. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] de achterstand niet (verder) heeft ingelopen en dat er een achterstand resteert van € 2.017,17.
4.3.
[gedaagde] is in gebreke met de betaling van de zorgpremie en verkeert daardoor in verzuim. Hij is de wettelijke rente aan VGZ verschuldigd. VGZ vordert € 95,14 aan rente tot 24 april 2023 en € 64,39 vanaf de voornoemde datum tot aan datum dagvaarden. [gedaagde] heeft in de periode, die ziet op het tweede genoemde bedrag aan wettelijke rente, drie betalingen verricht. VGZ heeft ter zitting (onweersproken) verklaard dat het systeem dat de wettelijke rente berekend, rekening houdt met tussentijdse betalingen. De gevorderde wettelijke rente is daardoor toewijsbaar, net als de wettelijke rente over € 2.017,17 vanaf datum dagvaarding tot aan het moment dat de vordering is voldaan.
4.4.
VGZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. VGZ heeft aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). VGZ heeft vergoeding van btw gevorderd over de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Omdat VGZ niet btw-plichtig is en de btw dus niet kan verrekenen, wordt de vergoeding verhoogd met btw. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom is € 302,58 toewijsbaar.
4.5.
VGZ heeft haar (totale) vordering beperkt tot € 2.500,00, wat betekent dat het toegewezen bedrag zal worden beperkt tot € 2.500,00. De wettelijke rente zal worden toegewezen over € 2.017,17 vanaf datum dagvaarding (het op dat moment openstaande bedrag) totdat de vordering wordt voldaan.
4.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,39
- griffierecht
€
372,00
- salaris gemachtigde
€
408,00
(2 punt × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.019,39
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.017,17, vanaf datum dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.019,39 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2024.