Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-30
ECLI:NL:RBZWB:2024:624
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,822 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4733 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. El Darrazi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, college.
Procesverloop
Met het besluit van 10 februari 2022 heeft het college de bijstandsaanvraag van eiseres afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Op 7 oktober 2022 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar bezwaar.
Met het bestreden besluit van 28 november 2022 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en namens het college mr. L. Hagebols.
Beoordeling
1.1
De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres tegen het besluit van het college waarbij de afwijzing van de bijstandsaanvraag van eiseres is gehandhaafd. De rechtbank doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
1.2
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
2.1
Eiseres ontving vanaf 12 augustus 2021 tot en met 7 november 2021 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Met een besluit van 13 december 2021 heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres per 8 november 2021 ingetrokken, omdat eiseres haar hoofdverblijf niet op het Brp-adres had. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.
Eiseres heeft zich op 21 januari 2022 opnieuw gemeld bij het college en op 28 januari 2022 een aanvraag ingediend om een uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder op grond van de Participatiewet, met als gewenste ingangsdatum 17 januari 2022.
Naar aanleiding van de melding heeft het college het recht op bijstand onderzocht en daartoe waarnemingen verricht, bankafschriften opgevraagd, een onaangekondigd huisbezoek afgelegd en een gesprek met eiseres gevoerd. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 9 februari 2022.
Met het besluit van 10 februari 2022 (primair besluit) heeft het college de bijstandsaanvraag van eiseres afgewezen, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op het [adres] te [plaats 1] (hierna: Brp-adres) haar hoofdverblijf heeft.
Eiseres heeft op 25 februari 2022 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Op 7 oktober 2022 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar bezwaar.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Beroep niet tijdig beslissen
3.1
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het college. Inmiddels heeft het college alsnog een beslissing op eiseres bezwaar genomen. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van 7 oktober 2022 tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit.
3.2
Tussen partijen is niet in geschil dat het college niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van eiseres. Het college heeft bij brief van 13 oktober 2022 meegedeeld dat er dwangsommen zijn verbeurd en dat deze reeds aan eiseres zijn betaald. Eiseres heeft geen procesbelang meer bij een oordeel over het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door het college. Het beroep van eiseres tegen het niet-tijdig beslissen zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Standpunt verweerder
4. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij samen met haar dochter in de te beoordelen periode daadwerkelijk hoofdverblijf hield op het Brp-adres. Deze conclusie baseert het college op de onderzoeksresultaten in het rapport van 9 februari 2022. Wel stelt het college dat het primaire besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat alleen wordt verwezen naar de onderzoeksbevindingen en deze niet worden aangeduid. Met het bestreden besluit wijzigt het college daarom de motivering.
Standpunt eiseres
5.1
Eiseres stelt dat in de te beoordelen periode het zwaartepunt van haar persoonlijke leven zich wel degelijk in [plaats 1] bevond en zij daarom aanspraak kan maken op een bijstandsuitkering vanaf datum melding. Het gas- en waterverbruik van eiseres is bovengemiddeld hoog, wat een duidelijke indicatie is dat zij haar hoofdverblijf op het Brp-adres heeft. Het lage stroomverbruik komt doordat zij weinig tot geen elektrische apparaten in haar woning heeft en zij overdag vaak op pad is. Daarnaast volgt uit de door eiseres overgelegde pintransacties wel dat zij boodschappen in [plaats 1] doet. Zij doet ook regelmatig boodschappen als zij heen- of terugreist van een (andere) bestemming. Dat zij iedere nacht op het Brp-adres slaapt, wordt bevestigd door de verklaring van haar buurvrouw.
5.2
De bevindingen uit de waarnemingen en het huisbezoek heeft eiseres afdoende weerlegd. De waargenomen signalen vormen niet langer een indicatie dat zij haar hoofdverblijf niet op het Brp-adres heeft. Haar beperkte financiële middelen zijn de reden dat de woning slechts sober was aangekleed. Het college gaat onterecht voorbij aan het feit dat eiseres inmiddels wel beschikt over een koelkast, kooktoestel en magnetron. Het college heeft zijn besluit tot afwijzing van haar bijstandsaanvraag dan ook onvoldoende gemotiveerd. Ook is sprake van een schending van het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel en is er sprake van een te strikte uitleg van de hoofdverblijfeis.
Oordeel van de rechtbank
6.1
De te beoordelen periode loopt van 21 januari 2022 (meldingsdatum) tot en met 10 februari 2022 (datum primair besluit). Het college heeft de bijstandsuitkering van eiseres met het besluit van 13 december 2021 per 8 november 2021 ingetrokken, omdat uit onderzoek is gebleken dat zij niet woonde op het door haar opgegeven Brp-adres. Dit adres geeft zij echter weer op bij haar bijstandsaanvraag met beoogde ingangsdatum 21 januari 2022.
6.2
Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Het is vervolgens aan het bestuursorgaan om in het kader van de onderzoeksplicht de verstrekte inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf had op het opgegeven BRP-adres.
6.3
Op grond van artikel 40 van de Participatiewet bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woont. Voor het antwoord op de vraag waar iemand woont is bepalend de plaats waar zij werkelijk woont en waar het centrum van haar maatschappelijk leven zich bevindt. Daarbij is niet doorslaggevend op welk adres iemand in de Brp staat ingeschreven. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak van de CRvB, te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Voor een juiste toepassing van de Participatiewet is het van essentieel belang dat er duidelijkheid bestaat over de woon- en verblijfplaats van de belanghebbende. Het college stelt zich op het standpunt dat uit de onderzoeksbevindingen niet is gebleken dat eiseres daadwerkelijk op het Brp-adres verbleef.
6.4
Tijdens het huisbezoek op 8 februari 2022 op het Brp-adres heeft de rapporteur een vrijwel lege woning aangetroffen. Zo was de hele woonkamer leeg, hing er geen lamp en waren in de keuken geen witgoed, koelkast, kookstel, oven en/of magnetron aanwezig. Ook is er in de woning geen keukengerei aangetroffen, waren alle keukenkastjes leeg en was de bergingskast, op wat grondtegels na, leeg. Enkel in de hal stond een tas met boodschappen. Ook de slaapkamers waren niet ingericht, er stond alleen een matras tegen de muur. Wel was er een aangesloten wasmachine. Daarnaast volgt uit de verrichte waarnemingen in de periode van 6 december 2021 tot en met 24 februari 2022 dat het licht beneden in de woning van eiseres nooit aan stond, werd de auto van eiseres weinig aangetroffen rondom de woning en is weinig beweging in en rondom de woning vastgesteld.
Conclusie
7. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit op bezwaar is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart:
- eiseres niet-ontvankelijk in haar beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar;
- het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier op 30 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1670.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:587.