Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-02-01
ECLI:NL:RBZWB:2024:594
Strafrecht
Op tegenspraak
2,853 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/017226-22
vonnis van de meervoudige kamer van 1 februari 2024
in de strafzaak tegen:
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ( [land] )
wonende op het [woonadres]
raadsman: mr. A. Goedkoop, advocaat te Breda.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 januari 2024, waarbij de officier van justitie, mr. K. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Daarnaast is door mr. N. van Dorsselaer-Spapen, namens de benadeelde partij [benadeelde] , de vordering tot schadevergoeding toegelicht en het spreekrecht uitgeoefend.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als Bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er -kort en feitelijk weergegeven- op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verleiding van een minderjarige om bepaalde ontuchtige handelingen toe te laten, dan wel zelf te verrichten.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Het staat niet ter discussie dat aangeefster bij haar borsten en bovenbenen door verdachte is betast en er geslachtsgemeenschap heeft plaatsgevonden, terwijl zij minderjarig was. Volgens de officier van justitie is er door verdachte misbruik van aangeefster gemaakt omdat hij een bepaald overwicht heeft gecreëerd, dat vanuit de feitelijke verhoudingen is voortgevloeid. Er is sprake van een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen aangeefster en verdachte. Bovendien is aangeefster als enige uit een groep minderjarigen bij verdachte thuis uitgenodigd, waardoor zij in een kwetsbare positie heeft verkeerd. Voorts heeft verdachte, als (vecht)sporter, een fysieke overredingskracht op haar gehad en daar ook gebruik van gemaakt. Aangeefster is door dit alles door verdachte bewogen om de seksuele handelingen van hem te dulden. De officier gaat wel uit van een kortere pleegperiode.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De ten laste gelegde bestanddelen psychisch en fysiek overwicht van verdachte op aangeefster zijn niet bewijsbaar. Daarnaast is het enkele feit dat er een groot leeftijdsverschil was op zichzelf onvoldoende om vast te kunnen stellen dat dit een bepaald overwicht heeft opgeleverd. Dit leeftijdsverschil is immers niet door verdachte misbruikt om aangeefster te bewegen tot het verrichten of dulden van seksuele handelingen. Verder speelt een rol dat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor een afhankelijkheidsverhouding, maar juist voor een vrijwillige en gelijkwaardige relatie. Van misbruik van overwicht in de zin van artikel 248a van het Wetboek van Strafrecht is daarom geen sprake. Verdachte dient op basis van deze feiten en omstandigheden te worden vrijgesproken.
4.3
Beoordeling
Juridisch kader
Blijkens de wetsgeschiedenis strekt artikel 248a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die, gelet op hun jeugdige leeftijd, in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien.
Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon jonger dan achttien jaar het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Een scherpe afgrenzing van dergelijke omstandigheden valt in haar algemeenheid niet te geven. Zoals uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis blijkt, heeft de wetgever bij de totstandkoming van artikel 248a Sr in dit opzicht als maatstaf voor ogen gestaan of de desbetreffende seksuele handeling algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard. Uit het voorgaande vloeit voort dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van dergelijke omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt, het in belangrijke mate aankomt op de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval.
Beoordeling
Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij de in de tenlastelegging omschreven seksuele handelingen bij aangeefster heeft verricht. Verdachte was ten tijde van de seksuele gedragingen dertig jaar en aangeefster was zestien jaar. Volgens de rechtbank kan dan ook worden vooropgesteld dat er sprake is van een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen aangeefster en verdachte. De vraag die de rechtbank tegen deze achtergrond moet beantwoorden is of verdachte door misbruik te maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, aangeefster opzettelijk heeft bewogen die seksuele handelingen te plegen en/of te dulden. Hoewel het forse leeftijdsverschil wellicht niet past binnen de maatschappelijke norm, betekent dit enkele verschil in leeftijd niet dat daarmee ook het strafbare feit is begaan dat verdachte wordt verweten. Daarvoor dient sprake te zijn van een overwicht, door leeftijd of anderszins, dat door verdachte bewust is ingezet om aangeefster te bewegen ontuchtige handelingen te plegen of te ondergaan.
In dit verband constateert de rechtbank dat verdachte en aangeefster volledig tegenovergesteld hebben verklaard, over onder andere de context en de mate van vrijwilligheid van het seksuele contact en aldus over de vraag of verdachte misbruik heeft gemaakt van aangeefster door een fysiek of psychisch overwicht. Volgens verdachte was sprake van een relatie die gebaseerd was op vrijwilligheid en gelijkheid. Aangeefster heeft het bestaan van een relatie ontkend en verklaard dat de seks tegen haar zin heeft plaatsgevonden, dat zij dit de eerste keer ook heeft aangegeven, en dat zij bang was van verdachte.
De rechtbank stelt vast dat aangeefster enkel ten aanzien van het eerste seksuele contact de context heeft geschetst en zij zich niet heeft uitgelaten over de omstandigheden van de andere momenten waarop het seksuele contact heeft plaatsgevonden. Daar komt bij dat er geen (objectief) bewijsmiddel is dat de verklaring van aangeefster op enig onderdeel kan ondersteunen of bevestigen. Er kan dus niet zonder meer van de belastende verklaring van aangeefster worden uitgegaan.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel, met de verdediging, dat de angst waarover aangeefster heeft verklaard niet met concrete feiten is onderbouwd en onduidelijk voorkomt. Er ontbreekt niet alleen ondersteunend bewijs. Er zijn twee getuigen, die ook bij de rechter-commissaris zijn gehoord, zijnde de huisgenoot en het nichtje van verdachte, die de verklaring van aangeefster sterk nuanceren. De getuigen hebben verklaard dat aangeefster vaak (en ook uit eigen beweging) in de woning bij verdachte is geweest. Volgens de getuigen hadden zij de indruk dat aangeefster zich daar thuis voelde, was de verhouding met verdachte te typeren als een verliefd stel en is er wederzijdse affectie getoond. Dit vormt voor de rechtbank eerder een aanknopingspunt voor de lezing van verdachte dat er sprake is geweest van vrijwilligheid. De verklaring van verdachte op dit punt, die hij ter terechtzitting nader heeft toegelicht, komt bovendien oprecht en authentiek over.
Verder blijkt ook niet uit het dossier dat verdachte door het leeftijdsverschil op aangeefster enig overwicht heeft uitgeoefend en daarvan misbruik gemaakt zou hebben. Aangeefster heeft immers bij de rechter-commissaris verklaard dat zij niet over het leeftijdsverschil heeft nagedacht en dat gegeven niet als iets raars heeft ervaren. Het leeftijdsverschil lijkt voor haar dus geen belangrijke rol te hebben gespeeld. Ook voor het bestaan van een zeker fysiek en of psychisch overwicht biedt het dossier onvoldoende steun. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat aangeefster wel enige mate van controle lijkt te hebben gehouden over de feiten die voorliggen. Aangeefster heeft bijvoorbeeld haar seksuele grenzen bewaakt, door bij verdachte aan te geven dat hij tijdens de seks niet in haar mocht klaarkomen. Verdachte heeft dat in ieder geval de eerste keer gerespecteerd door in een handdoek te ejaculeren, zo volgt uit het dossier. Verder is aangeefster in de gesprekken met verdachte op Whatsapp, Snapchat, Facebook en TikTok in staat geweest om verbaal weerstand te bieden, zo blijkt uit de tekstberichten. Dit vormt een extra argument om aan te nemen dat aangeefster zich niet heeft laten overrompelen of onder zodanige druk van verdachte heeft gestaan, waardoor zij tot de seksuele handelingen zou zijn bewogen. Tot slot is het aangeefster zelf de seksuele omgang met verdachte heeft beëindigd, nadat zij zwanger was geworden, waarna het contact met verdachte ook volledig is verbroken. Aangeefster heeft dus op eigen initiatief afstand kunnen nemen.
Conclusie
Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht van verdachte dat actief is ingezet om aangeefster te bewegen tot het verrichten of dulden van seksuele handelingen, zoals bedoeld in artikel 248a Sr. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
Het verweer van de verdediging slaagt.
5De benadeelde partij
Namens de benadeelde partij [benadeelde] is een vergoeding van immateriële schade gevorderd voor een bedrag van € 10.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het ten laste gelegde feit.
Verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. Goossens, voorzitter, mr. M.A.E. Dekker en
mr. E.G.F. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Admiraal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 februari 2024.