Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-26
ECLI:NL:RBZWB:2024:568
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
5,942 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/417842 / FA RK 24-110
datum uitspraak 26 januari 2024
beschikking inzake het treffen van voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.L.J. Leijendekker,
en
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.J. W. Vugs.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 10 januari 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de man;
- het op 12 januari 2024 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 17 januari 2024. Bij die gelegenheid zijn partijen verschenen. Zij werden bijgestaan door hun advocaat.
2Het verzoek
De man verzoekt, samengevat:
- vaststelling van een zorgregeling.
De vrouw verzoekt, samengevat:
- het uitsluitend gebruik van de woning;
- toevertrouwing van de minderjarigen aan haar.
Beoordeling
Toevertrouwing van de kinderen
3.1.
De vrouw verzoekt de kinderen van partijen, [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , aan haar toe te vertrouwen. De man voert geen verweer.
3.2.
De rechtbank wijst het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toe, nu ook niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich tegen toewijzing van het verzoek verzet.
Uitsluitend gebruik van de woning
3.3.
De vrouw verzoekt te bepalen dat zij met uitsluiting van de man bevoegd is tot het gebruik van de woning aan de [adres] te [woonplaats] , alsmede tot het gebruik van de gehele zich in die woning bevindende inboedel. De man voert geen verweer.
3.4.
De rechtbank wijst het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toe.
Zorgregeling
3.5.
De man verzoekt een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag (na school) tot en met zondag na het eten bij hem verblijven. De man brengt de kinderen om 19.30 uur terug. Verder heeft de man om een gespecificeerde verdeling van de vakanties en feestdagen verzocht. Ter onderbouwing van zijn verzoek geeft de man aan dat hij de kinderen vanaf november 2023 niet meer heeft gezien. Het is van belang dat het contact snel wordt hersteld. Tot op heden is dit niet gelukt, ook niet onder begeleiding van hulpverlening. De man merkt op dat voor de oudste kinderen geldt dat zij zelf ook inspraak hebben in de invulling van het contact.
3.6.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Er is al geruime tijd sprake van spanningen binnen het gezin. Veilig Thuis is betrokken geraakt en inmiddels ontvangt het gezin hulpverlening vanuit Safegroup. De vrouw vindt het belangrijk dat het contact tussen de man en de kinderen wordt hersteld, maar dit moet onder begeleiding van de hulpverlening plaatsvinden. Er hebben zich vervelende incidenten voorgedaan en het gedrag van de man is onvoorspelbaar gebleken.
3.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling volgt dat de communicatie tussen partijen ernstig is verstoord. Naast de echtscheiding van partijen is er ook een zakelijk conflict tussen de man en zijn schoonvader/schoonfamilie. Ook dit doet de verhoudingen tussen partijen geen goed. Inmiddels zijn Veilig Thuis en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) betrokken geraakt bij het gezin. Vanuit het CJG zijn er enkele bemiddelingspogingen ondernomen, maar dit heeft tot op heden niet geleid tot verbetering in de communicatie tussen partijen en duidelijke afspraken. Verder staat vast dat de man de kinderen vanaf november 2023 niet meer heeft gezien. Partijen zijn het er over eens dat het contact moet worden hersteld, maar zij verschillen van mening over de manier waarop dit moet gebeuren.
3.8.
De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat het contact met de man spoedig wordt hersteld. Voor begeleiding van de contacten wordt geen aanleiding gezien. Weliswaar heeft de vrouw op de mondelinge behandeling aangegeven dat Safegroup van mening is dat begeleiding van de contacten nodig is, maar de rechtbank heeft geen stukken aangetroffen in het dossier waaruit dit kan worden opgemaakt. Verder is er geen enkele indicatie dat sprake is van onveiligheid van de kinderen in de contacten met de man. Op de mondelinge behandeling is toegelicht dat de man onlangs is gediagnosticeerd met ADHD en dat hij hiervoor medicijnen gebruikt. Verder is er geen sprake van een ander psychisch ziektebeeld. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de volgende voorlopige zorgregeling vaststellen voor [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] :
- in week 6 hebben zij op zaterdag 10 februari 2024 contact met de man van 13.00 uur tot 17.00 uur;
- in week 7 hebben zij op zaterdag 17 februari 2024 contact met de man van 10.00 uur tot 18.00 uur;
- in week 8 hebben zij op zaterdag 24 februari 2024 contact met de man van 10.00 uur tot 18.00 uur;
- in week 9 verblijven zij de gehele week bij de vrouw;
- vervolgens wordt een ritme aangehouden waarin zij iedere maand drie aaneengesloten weekenden op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur contact hebben met de man. In de vierde week verblijven zij de gehele week bij de vrouw;
- indien de zaterdag niet uitkomt in verband met sport of andere activiteiten van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] kunnen partijen in overleg afwijken naar zondag.
Verder overweegt de rechtbank dat zij het niet nodig vindt om voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een vastomlijnde zorgregeling vast te stellen, gelet op hun leeftijd. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat zij het contact met de man zelf vorm gaan geven, waarbij het hun vrij staat om aan te sluiten bij de contactmomenten tussen de man, [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .
De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw de kinderen positief zal stimuleren in het hervatten van het contact met de man. Verder is het de taak van de man om de kinderen onder geen beding te belasten met de echtscheidingsperikelen en/of het zakelijke conflict.
3.9.
De rechtbank vindt het ook belangrijk dat partijen verdere passende (jeugd)hulpverlening gaan krijgen en heeft ter zitting met hen gesproken over een doorverwijzing in het kader van het Uniform Hulpaanbod. Op de mondelinge behandeling hebben partijen allebei aangegeven hiervoor open te staan.
3.10.
Nu partijen openstaan voor (jeugd)hulpverlening zal de rechtbank hen en de kinderen hiervoor verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio
West-Brabant-West. Het loket zorgt voor het doorsturen van stukken van de rechtbank naar de woonplaatsgemeente van de kinderen (hierna: de toegang) en is het aanspreekpunt van de rechtbank. De toegang zoekt voor partijen de meest passende zorgaanbieder.
3.11.
Met de inzet van passende (jeugd)hulpverlening gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor de
kinderen; - de kinderen hebben een stem in het scheidingsproces, voelen zich gehoord en
gesteund;
- de ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van de kinderen
(zware interventie); - de kinderen en de ouders hebben onbelast contact met elkaar.De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd.
3.12.
Na afloop van de (jeugd)hulpverlening maakt de zorgaanbieder een rapport op over het verloop en het resultaat van de hulpverlening. Ook de toegang maakt een rapport op. In dit rapport wordt het rapport van de zorgaanbieder als bijlage toegevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig. Deze procedure is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/416668 / FA RK 23-5698. De rechtbank verzoekt het loket om het volledige rapport uiterlijk op 29 oktober 2024, of zoveel eerder als mogelijk is, in deze bodemprocedure bij de rechtbank in te dienen.
3.13.
Als de hulpverlening heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid binnen twee weken na ontvangst van het rapport aan te geven of een volgende mondelinge behandeling nodig is.
Dictum
De rechtbank
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op
[geboortedag 1] 2007,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2008,
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2013,
4. [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 4] 2015, en
5. [minderjarige 5] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 5] 2017;
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan [adres] [woonplaats] , en beveelt de man die woning te verlaten en deze verder niet te betreden;
bepaalt dat de man en de kinderen in het kader van een voorlopige zorgregeling contact hebben met elkaar op de wijze zoals overwogen in rechtsoverweging 3.8;
verwijst partijen en de kinderen voor (jeugd)hulpverlening ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio
West-Brabant-West. Het loket zal partijen en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de kinderen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk 29 oktober 2024 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, het rapport over het verloop en de resultaten van de (jeugd)hulpverlening in de bij de griffie van de rechtbank in te dienen in de bodemprocedure met zaaknummer C/02/416668 / FA-RK 23-5698;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, het rapport ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de rapportage de rechtbank in de bodemprocedure met zaaknummer C/02/416668 / FA-RK 23-5698 te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad, indien hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 3.16 genoemde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen in de bodemprocedure;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Pulskens, en, in tegenwoordigheid van
mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2024.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/417842 / FA RK 24-110
datum uitspraak 26 januari 2024
beschikking inzake het treffen van voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.L.J. Leijendekker,
en
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.J. W. Vugs.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 10 januari 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de man;
- het op 12 januari 2024 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 17 januari 2024. Bij die gelegenheid zijn partijen verschenen. Zij werden bijgestaan door hun advocaat.
2Het verzoek
De man verzoekt, samengevat:
- vaststelling van een zorgregeling.
De vrouw verzoekt, samengevat:
- het uitsluitend gebruik van de woning;
- toevertrouwing van de minderjarigen aan haar.
Beoordeling
Toevertrouwing van de kinderen
3.1.
De vrouw verzoekt de kinderen van partijen, [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , aan haar toe te vertrouwen. De man voert geen verweer.
3.2.
De rechtbank wijst het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toe, nu ook niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich tegen toewijzing van het verzoek verzet.
Uitsluitend gebruik van de woning
3.3.
De vrouw verzoekt te bepalen dat zij met uitsluiting van de man bevoegd is tot het gebruik van de woning aan de [adres] te [woonplaats] , alsmede tot het gebruik van de gehele zich in die woning bevindende inboedel. De man voert geen verweer.
3.4.
De rechtbank wijst het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toe.
Zorgregeling
3.5.
De man verzoekt een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag (na school) tot en met zondag na het eten bij hem verblijven. De man brengt de kinderen om 19.30 uur terug. Verder heeft de man om een gespecificeerde verdeling van de vakanties en feestdagen verzocht. Ter onderbouwing van zijn verzoek geeft de man aan dat hij de kinderen vanaf november 2023 niet meer heeft gezien. Het is van belang dat het contact snel wordt hersteld. Tot op heden is dit niet gelukt, ook niet onder begeleiding van hulpverlening. De man merkt op dat voor de oudste kinderen geldt dat zij zelf ook inspraak hebben in de invulling van het contact.
3.6.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Er is al geruime tijd sprake van spanningen binnen het gezin. Veilig Thuis is betrokken geraakt en inmiddels ontvangt het gezin hulpverlening vanuit Safegroup. De vrouw vindt het belangrijk dat het contact tussen de man en de kinderen wordt hersteld, maar dit moet onder begeleiding van de hulpverlening plaatsvinden. Er hebben zich vervelende incidenten voorgedaan en het gedrag van de man is onvoorspelbaar gebleken.
3.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling volgt dat de communicatie tussen partijen ernstig is verstoord. Naast de echtscheiding van partijen is er ook een zakelijk conflict tussen de man en zijn schoonvader/schoonfamilie. Ook dit doet de verhoudingen tussen partijen geen goed. Inmiddels zijn Veilig Thuis en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) betrokken geraakt bij het gezin. Vanuit het CJG zijn er enkele bemiddelingspogingen ondernomen, maar dit heeft tot op heden niet geleid tot verbetering in de communicatie tussen partijen en duidelijke afspraken. Verder staat vast dat de man de kinderen vanaf november 2023 niet meer heeft gezien. Partijen zijn het er over eens dat het contact moet worden hersteld, maar zij verschillen van mening over de manier waarop dit moet gebeuren.
3.8.
De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat het contact met de man spoedig wordt hersteld. Voor begeleiding van de contacten wordt geen aanleiding gezien. Weliswaar heeft de vrouw op de mondelinge behandeling aangegeven dat Safegroup van mening is dat begeleiding van de contacten nodig is, maar de rechtbank heeft geen stukken aangetroffen in het dossier waaruit dit kan worden opgemaakt. Verder is er geen enkele indicatie dat sprake is van onveiligheid van de kinderen in de contacten met de man. Op de mondelinge behandeling is toegelicht dat de man onlangs is gediagnosticeerd met ADHD en dat hij hiervoor medicijnen gebruikt. Verder is er geen sprake van een ander psychisch ziektebeeld. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de volgende voorlopige zorgregeling vaststellen voor [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] :
- in week 6 hebben zij op zaterdag 10 februari 2024 contact met de man van 13.00 uur tot 17.00 uur;
- in week 7 hebben zij op zaterdag 17 februari 2024 contact met de man van 10.00 uur tot 18.00 uur;
- in week 8 hebben zij op zaterdag 24 februari 2024 contact met de man van 10.00 uur tot 18.00 uur;
- in week 9 verblijven zij de gehele week bij de vrouw;
- vervolgens wordt een ritme aangehouden waarin zij iedere maand drie aaneengesloten weekenden op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur contact hebben met de man. In de vierde week verblijven zij de gehele week bij de vrouw;
- indien de zaterdag niet uitkomt in verband met sport of andere activiteiten van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] kunnen partijen in overleg afwijken naar zondag.
Verder overweegt de rechtbank dat zij het niet nodig vindt om voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een vastomlijnde zorgregeling vast te stellen, gelet op hun leeftijd. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat zij het contact met de man zelf vorm gaan geven, waarbij het hun vrij staat om aan te sluiten bij de contactmomenten tussen de man, [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .
De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw de kinderen positief zal stimuleren in het hervatten van het contact met de man. Verder is het de taak van de man om de kinderen onder geen beding te belasten met de echtscheidingsperikelen en/of het zakelijke conflict.
3.9.
De rechtbank vindt het ook belangrijk dat partijen verdere passende (jeugd)hulpverlening gaan krijgen en heeft ter zitting met hen gesproken over een doorverwijzing in het kader van het Uniform Hulpaanbod. Op de mondelinge behandeling hebben partijen allebei aangegeven hiervoor open te staan.
3.10.
Nu partijen openstaan voor (jeugd)hulpverlening zal de rechtbank hen en de kinderen hiervoor verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio
West-Brabant-West. Het loket zorgt voor het doorsturen van stukken van de rechtbank naar de woonplaatsgemeente van de kinderen (hierna: de toegang) en is het aanspreekpunt van de rechtbank. De toegang zoekt voor partijen de meest passende zorgaanbieder.
3.11.
Met de inzet van passende (jeugd)hulpverlening gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor de
kinderen; - de kinderen hebben een stem in het scheidingsproces, voelen zich gehoord en
gesteund;
- de ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van de kinderen
(zware interventie); - de kinderen en de ouders hebben onbelast contact met elkaar.De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd.
3.12.
Na afloop van de (jeugd)hulpverlening maakt de zorgaanbieder een rapport op over het verloop en het resultaat van de hulpverlening. Ook de toegang maakt een rapport op. In dit rapport wordt het rapport van de zorgaanbieder als bijlage toegevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig. Deze procedure is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/416668 / FA RK 23-5698. De rechtbank verzoekt het loket om het volledige rapport uiterlijk op 29 oktober 2024, of zoveel eerder als mogelijk is, in deze bodemprocedure bij de rechtbank in te dienen.
3.13.
Als de hulpverlening heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid binnen twee weken na ontvangst van het rapport aan te geven of een volgende mondelinge behandeling nodig is.
Dictum
De rechtbank
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op
[geboortedag 1] 2007,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2008,
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2013,
4. [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 4] 2015, en
5. [minderjarige 5] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 5] 2017;
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan [adres] [woonplaats] , en beveelt de man die woning te verlaten en deze verder niet te betreden;
bepaalt dat de man en de kinderen in het kader van een voorlopige zorgregeling contact hebben met elkaar op de wijze zoals overwogen in rechtsoverweging 3.8;
verwijst partijen en de kinderen voor (jeugd)hulpverlening ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio
West-Brabant-West. Het loket zal partijen en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de kinderen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk 29 oktober 2024 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, het rapport over het verloop en de resultaten van de (jeugd)hulpverlening in de bij de griffie van de rechtbank in te dienen in de bodemprocedure met zaaknummer C/02/416668 / FA-RK 23-5698;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, het rapport ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de rapportage de rechtbank in de bodemprocedure met zaaknummer C/02/416668 / FA-RK 23-5698 te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad, indien hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 3.16 genoemde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen in de bodemprocedure;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Pulskens, en, in tegenwoordigheid van
mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2024.