Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-08-12
ECLI:NL:RBZWB:2024:5559
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
906 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/5607 WMO15
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 12 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. A. van 't Laar),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere.
Als derde-belanghebbende is in het geding betrokken:
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toekenning van een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn moeder en zijn gemachtigde. Namens het college zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] .
1.2.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De rechtbank stelt vast dat dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen. Afgesproken is dat het college over de periode 1 juli 2022 tot en met 1 januari 2028 de voorziening begeleiding toekent voor 20 uur per week in de vorm van een persoonsgebonden budget, tegen het geldende tarief zoals uitgesproken door de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 16 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1580.
3. Het college heeft toegezegd het griffierecht van € 50,00 te vergoeden. Ook zal het college de proceskosten vergoeden tot een bedrag van € 1.760,50 (2 punten met een waarde per punt van € 875,00 en reiskosten van € 10,50).
4. Omdat partijen tot overeenstemming zijn gekomen, bestaat er geen procesbelang meer bij een oordeel van de rechtbank. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn heeft eiser recht op een schadevergoeding van € 500,00. Deze komt ten laste van de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid).Voor het indienen van het verzoekschrift tot schadevergoeding krijgt eiser een proceskostenvergoeding van € 437,50 (1 punt met een waarde van € 875,00 en wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding aan eiser van € 500,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van de proceskosten voor het verzoekschrift tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2024 door mr. I.M. Josten, voorzitter, en mr. M. Snoeks en mr. T.I. van Term, leden, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier.
griffier
voorzitter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.