Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-08-08
ECLI:NL:RBZWB:2024:5475
Strafrecht
Op tegenspraak
6,027 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummers: 02/212364-23; 02/006558-23 (tul); 02/181338-21 (tul)
vonnis van de meervoudige kamer van 8 augustus 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsman mr. M.C.J. Heinen, advocaat te Roosendaal
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 juli 2024, waarbij de officier van justitie, mr. M. van Leeuwen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1:
[slachtoffer] heeft aangerand;
feit 2:
[slachtoffer] heeft geprobeerd te verkrachten;
feit 3:
[slachtoffer] heeft mishandeld.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft aangerand en mishandeld, zoals onder de feiten 1 en 3 is tenlastegelegd. De officier van justitie is van mening dat onvoldoende bewijs aanwezig is voor het onder feit 2 ten laste gelegde feit, de poging verkrachting. Voor dit feit wordt daarom vrijspraak gevorderd.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1 en 2, de aanranding en de poging verkrachting. Voor wat betreft feit 3, de mishandeling, refereert de verdediging aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
feit 3:
De rechtbank stelt vast dat verdachte in de late avond van 21 augustus 2023 aangeefster [slachtoffer] heeft geappt met het verzoek of zij hem wilde ophalen in het centrum van Breda. [slachtoffer] gaf hier gevolg aan en haalde hem met haar auto op. Ze reden samen naar haar woning in [plaats] .
In die woning ontstond al snel een situatie dat verdachte zich agressief opstelde. Hij sloeg [slachtoffer] in het gezicht en trapte tegen haar linkerbeen. Deze handelingen herhaalde hij die avond/nacht meerdere keren op verschillende momenten. Daarbij sloeg hij niet alleen met vlakke hand, maar ook met zijn vuist in het gezicht van [slachtoffer] . Op enig ogenblik heeft hij tevens aan de haren van [slachtoffer] getrokken. De rechtbank volgt hiervoor de verklaring van [slachtoffer] , die (onder meer) over dit fysiek geweld uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard. Haar verklaring wordt ondersteund door enkele andere bewijsmiddelen. Zo is op een viertal foto’s het letsel te zien wat haar is toegebracht en wat door een verbalisant is beschreven. Dit betreft donkere of gele verkleuringen op verschillende plaatsen in het gezicht, met name bij de jukbeenderen en de kaak, en een verkleuring op het linker bovenbeen. Het letsel op de foto’s past bij de plaatsen waarvan [slachtoffer] heeft gezegd dat zij daar door verdachte is geraakt. Daarnaast blijkt uit onderzoek aan de mobiele telefoons van de betrokkenen dat [slachtoffer] in de bewuste nacht telefonisch contact heeft gehad met haar vriendin [naam 1] , zoals zij beiden ook hebben verklaard. [slachtoffer] berichtte haar dat zij klappen had gehad en dat zij was geschopt. Ze vroeg of [naam 1] haar dochter [naam 2] daar “nu” kon weghalen. Voorts heeft verdachte zelf ter zitting kenbaar gemaakt dat hij [slachtoffer] destijds een klap in het gezicht heeft verkocht en haar een schop tegen het linkerbeen heeft gegeven.
De rechtbank ziet op basis van het voorgaande geen reden om aan het relaas van [slachtoffer] te twijfelen. Zij is dan ook van oordeel dat feit 3, de mishandeling, wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is met betrekking tot het fysiek geweld dat voorafgaand aan de geweldshandelingen in de woning, in de auto van [slachtoffer] , zou hebben plaatsgevonden. De verklaring van [slachtoffer] hieromtrent wordt namelijk niet door andere bewijsmiddelen ondersteund en daarmee wordt niet voldaan aan het wettelijk vereiste bewijsminimum.
feit 1:
[slachtoffer] heeft verklaard dat zij niet alleen door verdachte in haar woning is mishandeld, maar dat zij dezelfde avond/nacht ook daar door hem is aangerand. Zij heeft hiervan weliswaar afzonderlijk aangifte gedaan op 25 augustus 2023, maar bij haar eerste aangifte op 21 augustus 2023 heeft [slachtoffer] al aangegeven dat zij door verdachte werd aangeraakt op plekken waar zij dat niet wilde en een dag later op 22 augustus 2023 heeft zij het informatief gesprek zeden met de politie gehad.
Verdachte zou haar, kort gezegd, tegen haar wil hebben gezoend en hebben betast aan haar schaamlippen en borsten. Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat er intiem contact tussen hem en [slachtoffer] is geweest. Hij heeft toegegeven haar te hebben gezoend en haar borsten en haar schaamlippen te hebben aangeraakt. Maar dit contact zou volgens hem met wederzijds goedvinden zijn gebeurd.
De rechtbank hecht bij het oordeel over feit 1 vooral waarde aan de volgorde van de gedragingen van verdachte die [slachtoffer] heeft genoemd. Zij heeft aangegeven dat verdachte haar eerst heeft geslagen en geschopt (bewezen feit 3), alvorens hij haar begon te zoenen en te betasten. In die volgorde, waarbij voor de mishandeling voldoende steunbewijs is, ziet de rechtbank reden ook niet te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] voor wat betreft de ontucht. Daarbij komt dat [slachtoffer] uitvoerig en gedetailleerd verklaart over de seksuele handelingen.
Uit die ontstane gewelddadige situatie, die sfeer die door verdachte is gecreëerd, leidt de rechtbank af dat het seksueel contact met [slachtoffer] niet vrijwillig is geweest.
Dit alles maakt dat de rechtbank de onder feit 1 ten laste gelegde aanranding wettig en overtuigend bewezen acht. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging hieromtrent.
feit 2:
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat voor een poging tot het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] (verkrachting) onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is. Haar verklaring wordt niet in enigerlei mate ondersteund door de verklaring van verdachte dan wel door een ander bewijsmiddel. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1:
in de periode van 21 augustus 2023 en 22 augustus 2023 te [plaats] , [gemeente] , door geweld en een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten:- zoenen/kussen van de lippen en/of wangen van die [slachtoffer] ,- die [slachtoffer] tongzoenen te geven,- het betasten van de schaamlippen van die [slachtoffer] ,- de borsten van die [slachtoffer] aan te raken/betasten,- aan de tepels van de borsten van die [slachtoffer] te zuigen/likken,het geweld en andere feitelijkheden hebben bestaan uit het:- die [slachtoffer] (met kracht) in haar gezicht te slaan/stompen,- die [slachtoffer] (met kracht) aan de haren te trekken,- die [slachtoffer] te dwingen/commanderen naar zijn, verdachtes, penis te kijken,- met zijn, verdachtes hand(en) in de (onder)broek van die [slachtoffer] gaan,- die [slachtoffer] te dwingen/commanderen haar trui uit te trekken,- (trachten) het t-shirt van die [slachtoffer] uit te trekken en- die [slachtoffer] op zijn, verdachtes, schoot te trekken;
feit 3:
in de periode van 21 augustus 2023 en 22 augustus 2023 te [plaats] , [gemeente] , [slachtoffer] heeft mishandeld door:- die [slachtoffer] meermalen in/op/tegen het gezicht slaan en testompen,- die [slachtoffer] aan haar haren te trekken en - die [slachtoffer] meermalen tegen de (boven)benen te trappen/schoppen.
Ten gevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging, is in de derde regel van het onder feit 1 tenlastegelegde het woord ‘en’ weggevallen. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Beoordeling
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en aanranding van zijn ex-partner.
Deze feiten zijn gepleegd in de woning van het slachtoffer. Verdachte heeft geweld tegen haar gebruikt. Hij heeft het slachtoffer herhaaldelijk in het gezicht geslagen, meermalen tegen haar been geschopt en aan haar haren getrokken. Ook heeft hij het slachtoffer onder andere gezoend en onzedelijk betast aan haar borsten en schaamlippen. Hiermee heeft verdachte inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van het slachtoffer. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Uit het dossier is gebleken dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde onder invloed was van alcohol, maar dit vormt geen enkel excuus voor het leed dat hij het slachtoffer heeft aangedaan. Het slachtoffer heeft ter zitting haar schriftelijke slachtofferverklaring voorgelezen, waaruit volgt dat de feiten een grote impact op haar leven hebben gehad. Zij heeft met name gevoelens van angst, onrust en onveiligheid ondervonden en heeft professionele hulp gezocht. Haar thuis, haar veilige haven was door verdachte afgepakt. Alles in die woning bleef haar herinneren aan de bewuste nacht. Dit heeft haar zelfs doen besluiten om te verhuizen naar een andere woning. Verdachte heeft klaarblijkelijk uitsluitend oog gehad voor zijn eigen boosheid of frustratie en de bevrediging van zijn eigen behoeften. Hij heeft niet stil gestaan bij de nadelige gevolgen van zijn gedragingen voor het slachtoffer.
De persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennis genomen van het uitgebrachte reclasseringsrapport van 10 juli 2024. Hierin is vermeld dat de reclassering problemen bij verdachte signaleert op de leefgebieden dagbesteding, relatie partner, gezin en familie, sociaal netwerk, middelengebruik, psychosociaal functioneren en houding. Als beschermende factoren wordt ondersteuning van zijn familie en echtgenoot gezien, evenals de reeds ingezette hulp- en dienstverlening die wordt aangeboden in het lopende toezicht bij de verslavingsreclassering. Omdat verdachte de feiten overwegend heeft ontkend en de reclassering op basis van de delictsgeschiedenis geen gedegen inschatting kan maken ter zake van de zedenzaak, kan zij het risico op herhaling niet inschatten. Zij adviseert verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de verslavingsreclassering, een ambulante behandeling bij Fivoor, een alcoholverbod en een nuttige dagbesteding. Tevens wordt voorgesteld om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, omdat verdachte therapie nodig heeft om te werken aan zijn omgang met seksualiteit en machtsverhoudingen. Wanneer verdachte gevangenisstraf opgelegd krijgt, vreest de reclassering dat hij in financiële problemen zal komen, hetgeen ook door de verdediging is aangevoerd.
De rechtbank heeft daarnaast gekeken naar de documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat hij eerder voor mishandeling is veroordeeld en als recidivist moet worden beschouwd.
Verder heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven over de feiten die hij heeft begaan.
De strafoplegging
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de feiten, een combinatie van een forse taakstraf en een gevangenisstraf een passende strafrechtelijke reactie is. Gelet op het taakstrafverbod, zoals bedoeld in artikel 22b, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, zal een deel van gevangenisstraf onvoorwaardelijk worden opgelegd. Dit deel zal gelijk zijn aan de duur van het voorarrest. De rechtbank acht met de officier van justitie en de verdediging van belang dat verdachte adequate behandeling en begeleiding krijgt aangeboden voor zijn problematiek op de diverse leefgebieden. In het kader van de bijzondere voorwaarden bij een eerder opgelegde voorwaardelijke straf gebeurt dit ook al en boekt hij kennelijk vooruitgang. Maar omdat hij gedurende de proeftijd van die veroordeling de onderhavige feiten heeft gepleegd, is het cruciaal dat die hulpverlening nog geruime tijd wordt gecontinueerd en dat daarbij eveneens aandacht wordt besteed aan zijn omgang met seksualiteit en machtsverhoudingen. De rechtbank zal daarom aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden koppelen, die door de reclassering zijn aanbevolen. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient tevens als stevige stok achter de deur, om verdachte ervan te weerhouden dat hij opnieuw de fout ingaat.
De rechtbank zal niet overgaan tot de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het reclasseringstoezicht, nu zij daarvoor geen directe aanwijzingen ziet. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat is voldaan aan de vereisten die in artikel 14e Wetboek van Strafrecht worden gesteld aan het bepalen dat maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn. De relatie tussen verdachte en het slachtoffer is voorbij en niets wijst erop dat verdachte nog contact met haar wil opzoeken.
De rechtbank heeft voorts de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd in aanmerking genomen. In dit licht wordt de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog geacht.
Verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een gevangenisstraf van 120 dagen waarvan 116 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met aftrek van voorarrest.
7De vorderingen tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 18 april 2023 ten uitvoer zal worden gelegd.
Ook heeft hij de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke gevangenisstraf van
4 weken die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 30 november 2022.
De verdediging heeft primair verzocht de proeftijd van de voorwaardelijke straffen te verlengen, subsidiair om de opgelegde gevangenisstraffen om te zetten naar taakstraffen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kunnen de vorderingen tenuitvoerlegging worden toegewezen. Zij zal daartoe overgaan, nu zij geen aanleiding ziet om hiervan af te wijken. Verdachte was immers een gewaarschuwd man met een omvangrijk strafblad, die zich er terdege van bewust moet zijn dat de tenuitvoerlegging van een straf op de loer ligt als hij recidiveert en hij geen kans op kans blijft krijgen.
8De benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert ter zake van de feiten 1, 2 en 3 een schadevergoeding van € 1.711,27, waarvan € 211,27 voor materiële schade en € 1.500,-- voor immateriële schade. Tevens wordt de wettelijke rente gevorderd en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft verzocht de vordering integraal toe te wijzen, nu zowel de gevorderde materiële als gevorderde immateriële schade per post is gemotiveerd en in een rechtsreeks verband staan met de tegen de benadeelde partij gepleegde strafbare feiten. De hoogte van het gevorderde smartengeld wordt redelijk geacht, gezien de feiten die volgens de officier van justitie kunnen worden bewezen verklaard.
Volgens de verdediging dient het gevorderde bedrag te worden gematigd, omdat verdachte voor de zedenfeiten moet worden vrijgesproken.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de feiten 1 en 3 heeft gepleegd.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;
feit 3: mishandeling, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 116 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;
* dat verdachte zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij de Novadic-Kentron verslavingsreclassering, Jan Wierhof 14 te Tilburg, en zich zal blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt;
* dat verdachte zich ambulant laat behandelen door Fivoor, Poliklinische Forensische Kliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Hieronder kan ook het innemen van medicijnen vallen als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Hieronder kan ook het innemen van medicijnen vallen als de zorginstelling dat nodig vindt;
* dat verdachte geen alcohol gebruikt en meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren, zolang de reclassering dit nodig acht. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
Vorderingen tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 18 april 2023 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02/006558-23 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 4 weken;
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 30 november 2022 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02/181338-21 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 4 weken;
Benadeelde partijen
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van
€ 1.711,27, waarvan € 211,27 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer]
(feiten 1 en 3), € 1.711,27 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 27 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Kralingen, voorzitter, mr. C.H.W.M. Sterk en
mr. V. Hartman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A.C.M. Roebroeks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 augustus 2024.
Mr.