Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-08-08
ECLI:NL:RBZWB:2024:5471
Strafrecht
Op tegenspraak
8,170 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/072412-23
vonnis van de meervoudige kamer van 8 augustus 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] .
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 juli 2024, waarbij de officier van justitie, mr. P.W.P. Emmen, en verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 januari 2023 in Dussen een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] (hierna: ‘ [slachtoffer] ’) zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.
4.2
Het standpunt van verdachte
Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij met zijn vriendin op weg was naar Werkendam om zijn ouders een gelukkig nieuwjaar te wensen. Hij is op de Korn op de linkerhelft van de weg gaan rijden om de verhoogde vluchtheuvel te passeren. Verdachte schat dat hij op dat moment zo rond de 50 kilometer per uur reed. Hij heeft net voor de bocht van de T-kruising met de Schenkeldijk het gas losgelaten. Toen hij dacht dat er geen verkeer aan kwam, heeft hij weer gas bijgegeven. Direct hierna is hij in botsing gekomen met een personenauto. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij bekend was met deze onoverzichtelijke kruising en ook wist dat daar tegenliggers (kunnen) rijden. Verdachte was niet in het bezit van een geldig rijbewijs.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten
De rechtbank stelt vast dat op 2 januari 2023 omstreeks 15:19 uur op de T-kruising van de Schenkeldijk met de Korn in Dussen een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij een bromfiets en een personenauto betrokken waren. Op de plaats van het ongeval geldt een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur.
Verdachte was de bestuurder van de bromfiets. Hij bestuurde deze bromfiets zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs. Zijn toenmalige vriendin, [slachtoffer] , zat bij hem achterop. [betrokkene] was de bestuurder van de personenauto.
Verdachte reed over de Korn, gaande in de richting van de Schenkeldijk. [betrokkene] reed over de Schenkeldijk, gaande in de richting van de Korn. De Korn is een voorrangsweg die ter hoogte van de Schenkeldijk een bocht naar links maakt. Aan de rechterzijde van de weg ligt een verhoogde vluchtheuvel. Verdachte reed in de bocht op de linkerhelft van de weg (voor tegemoetkomend verkeer) om de vluchtheuvel te passeren. Hij reed op dat moment ongeveer 50 kilometer per uur. Op datzelfde moment draaide [betrokkene] de Korn op. Dit heeft tot gevolg gehad dat de bromfiets van verdachte in botsing is gekomen met de linker voorzijde van de personenauto van [betrokkene] . Door dit verkeersongeval zijn zowel verdachte als [slachtoffer] zeer ernstig gewond geraakt. [slachtoffer] liep onder meer een gebroken scheen- en kuitbeen en een hersenschudding op.
Artikel 6 WVW
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van artikel 6 WVW is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Het komt hierbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Verdachte heeft met een veel te hoge snelheid – bijna het dubbele van de toegestane snelheid – op de linkerhelft van de weg (voor tegemoetkomend verkeer) gereden, terwijl hij door de bocht geen zicht had op tegemoetkomend verkeer. Van verdachte, die niet in het bezit was van een geldig bromfietsrijbewijs en die – zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard – bekend was met de onoverzichtelijke kruising en ook wist dat daar ook tegenliggers (kunnen) rijden, mocht extra voorzichtigheid en oplettendheid worden verwacht. Dat geldt temeer nu zijn toenmalige vriendin bij hem achterop de bromfiets zat. Verdachte heeft niet geanticipeerd op de mogelijkheid dat een tegemoetkomende personenauto zou afslaan, maar heeft een zeer groot risico genomen door, zonder (voldoende) af te remmen, hard door te rijden en op de linkerhelft van de weg te gaan rijden. Hoewel [betrokkene] verdachte voorrang had moeten verlenen, hoefde hij met dit rijgedrag van verdachte geen rekening te houden. Naar het oordeel van de rechtbank past het rijgedrag van verdachte in het geheel niet bij een oplettende en verstandige weggebruiker en wijkt het daar in substantiële mate vanaf.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de gegeven (hiervoor benoemde) omstandigheden aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en dus schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW.
Zwaar lichamelijk letsel
[slachtoffer] heeft als gevolg van het ongeval een gebroken scheen- en kuitbeen en een hersenschudding opgelopen. Zij is in het ziekenhuis geopereerd en er is een pin in haar onderbeen geplaatst. De genezingsduur is op zes tot twaalf maanden geschat. De rechtbank is van oordeel dat dit letsel, gelet op de aard, de gevolgen en de (lange) herstelduur daarvan, als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Dit is ook niet door verdachte betwist.
Conclusie
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit daarmee wettig en overtuigend bewezen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 2 januari 2023 te Dussen, gemeente Altena, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), daarmede rijdende over de weg, de Schenkeldijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,
zonder in het in bezit te zijn van een rijbewijs (categorie AM) om een dergelijk
motorrijtuig te mogen besturen,
op de rijbaan van die weg onvoldoende rechts gehouden en (deels) gereden op
het weggedeelte dat bestemd is voor het aan hem, verdachte, tegemoetkomende
verkeer en
niet op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en op het overige verkeer gelet en
met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 30
kilometer per uur gereden,
waardoor hij, verdachte, met de door hem bestuurde motorrijtuig (bromfiets) in
botsing is gekomen met een aan hem, verdachte, tegemoetkomende personenauto
(Seat met [kenteken] ), door welk verkeersongeval, [slachtoffer] (zijnde de bijrijder van de bromfiets) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten: een gebroken linker scheenbeen en een gebroken kuitbeen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een geldboete van € 500,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
6.2
Het standpunt van verdachte
Verdachte heeft verzocht aan hem geen ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Dit zou namelijk betekenen dat hij geen transportwerkzaamheden meer kan verrichten, terwijl dat de enige werkzaamheden zijn die hij in verband met zijn fysieke beperkingen op dit moment kan doen. Voorts heeft hij zijn rijbewijs nodig om zijn gevoel van vrijheid te kunnen behouden.
6.3
Beoordeling
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft op 2 januari 2023 in Dussen een verkeersongeval veroorzaakt. Hij is die dag op zijn bromfiets gestapt, terwijl hij geen geldig rijbewijs had en dus de weg niet op mocht. Hij heeft daarbij een passagier, zijn toenmalige vriendin [slachtoffer] , achterop zijn bromfiets meegenomen. Gelet daarop was extra voorzichtigheid geboden. Desondanks heeft hij, terwijl hij een onoverzichtelijke kruising naderde, met een te hoge snelheid aan de verkeerde kant van de weg gereden. Hij is vervolgens met zijn bromfiets tegen een tegemoetkomende personenauto gebotst. Zowel hij als zijn toenmalige vriendin zijn van de bromfiets gevallen en zijn hierdoor zwaar gewond geraakt. Door op deze wijze aan het verkeer deel te nemen heeft verdachte zich onverschillig getoond tegenover de geldende verkeersregels en de veiligheid van andere verkeersdeelnemers.
Het strafblad
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte. Het is niet de eerste keer dat verdachte voor verkeersfeiten met politie en justitie in aanraking komt. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij vaker heeft gereden zonder geldig rijbewijs. De rechtbank heeft dan ook de indruk dat verdachte het soms minder nauw neemt met de verkeersregels en de verkeersveiligheid. Dit zal zij in het nadeel van verdachte meewegen. Verder blijkt uit het strafblad van verdachte dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
De straf
De rechtbank neemt bij het bepalen van de hoogte van de straf als uitgangspunt de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. De oriëntatiepunten gaan in geval van het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag uit van een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 6 maanden. De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de omstandigheid dat verdachte bij het ongeval zelf ook ernstig gewond is geraakt en dat hij nog dagelijks lichamelijke klachten ondervindt, waardoor het uitvoeren van een taakstraf voor hem zwaarder is dan normaal gesproken voor hem zou zijn geweest.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is en zal dit aan verdachte opleggen. Daarnaast acht de rechtbank mede vanuit het oogpunt van normhandhaving een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden op zijn plaats. Hiermee wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare (verkeers)feiten te plegen en om aan hem het signaal af te geven dat alertheid en voorzichtigheid in het verkeer te allen tijde geboden is.
7De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Bijkomende straffen
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. V. Hartman, voorzitter, mr. C.H.W.M. Sterk en mr. D. van Kralingen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 augustus 2024.
Mr. Sterk is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen
9Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 2 januari 2023 te Dussen, gemeente Altena, althans in
Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig
(bromfiets), daarmede rijdende over de weg, de Schenkeldijk, zich zodanig heeft
gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
immers heeft hij, verdachte, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,
onvoorzichtig en/of onoplettend,
zonder in het in bezit te zijn van een rijbewijs (categorie AM) om een dergelijk
motorrijtuig te kunnen/mogen besturen en/of terwijl hij,
op de rijbaan van die weg onvoldoende rechts gehouden en/of (deels) gereden op
het weggedeelte dat bestemd is voor het aan hem, verdachte, tegemoetkomende
verkeer en/of
niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die
weg en/of op het overige verkeer gelet en/of
met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 30
kilometer per uur gereden, in elk geval gereden met een hogere snelheid dan ter
plaatse verantwoord was,
waardoor hij, verdachte, met de door hem bestuurde motorrijtuig (bromfiets) in
botsing is gekomen met een aan hem, verdachte, tegemoetkomende personenauto
(Seat met [kenteken] ), door welk verkeersongeval,
[slachtoffer] (zijnde de bijrijder van de bromfiets) zwaar lichamelijk letsel,
althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of
verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, te weten:
een gebroken linker scheenbeen en/of een gebroken kuitbeen;
( art. 6 Wegenverkeerswet 1994 )
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/072412-23
vonnis van de meervoudige kamer van 8 augustus 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] .
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 juli 2024, waarbij de officier van justitie, mr. P.W.P. Emmen, en verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 januari 2023 in Dussen een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] (hierna: ‘ [slachtoffer] ’) zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.
4.2
Het standpunt van verdachte
Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij met zijn vriendin op weg was naar Werkendam om zijn ouders een gelukkig nieuwjaar te wensen. Hij is op de Korn op de linkerhelft van de weg gaan rijden om de verhoogde vluchtheuvel te passeren. Verdachte schat dat hij op dat moment zo rond de 50 kilometer per uur reed. Hij heeft net voor de bocht van de T-kruising met de Schenkeldijk het gas losgelaten. Toen hij dacht dat er geen verkeer aan kwam, heeft hij weer gas bijgegeven. Direct hierna is hij in botsing gekomen met een personenauto. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij bekend was met deze onoverzichtelijke kruising en ook wist dat daar tegenliggers (kunnen) rijden. Verdachte was niet in het bezit van een geldig rijbewijs.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten
De rechtbank stelt vast dat op 2 januari 2023 omstreeks 15:19 uur op de T-kruising van de Schenkeldijk met de Korn in Dussen een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij een bromfiets en een personenauto betrokken waren. Op de plaats van het ongeval geldt een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur.
Verdachte was de bestuurder van de bromfiets. Hij bestuurde deze bromfiets zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs. Zijn toenmalige vriendin, [slachtoffer] , zat bij hem achterop. [betrokkene] was de bestuurder van de personenauto.
Verdachte reed over de Korn, gaande in de richting van de Schenkeldijk. [betrokkene] reed over de Schenkeldijk, gaande in de richting van de Korn. De Korn is een voorrangsweg die ter hoogte van de Schenkeldijk een bocht naar links maakt. Aan de rechterzijde van de weg ligt een verhoogde vluchtheuvel. Verdachte reed in de bocht op de linkerhelft van de weg (voor tegemoetkomend verkeer) om de vluchtheuvel te passeren. Hij reed op dat moment ongeveer 50 kilometer per uur. Op datzelfde moment draaide [betrokkene] de Korn op. Dit heeft tot gevolg gehad dat de bromfiets van verdachte in botsing is gekomen met de linker voorzijde van de personenauto van [betrokkene] . Door dit verkeersongeval zijn zowel verdachte als [slachtoffer] zeer ernstig gewond geraakt. [slachtoffer] liep onder meer een gebroken scheen- en kuitbeen en een hersenschudding op.
Artikel 6 WVW
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van artikel 6 WVW is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Het komt hierbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Verdachte heeft met een veel te hoge snelheid – bijna het dubbele van de toegestane snelheid – op de linkerhelft van de weg (voor tegemoetkomend verkeer) gereden, terwijl hij door de bocht geen zicht had op tegemoetkomend verkeer. Van verdachte, die niet in het bezit was van een geldig bromfietsrijbewijs en die – zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard – bekend was met de onoverzichtelijke kruising en ook wist dat daar ook tegenliggers (kunnen) rijden, mocht extra voorzichtigheid en oplettendheid worden verwacht. Dat geldt temeer nu zijn toenmalige vriendin bij hem achterop de bromfiets zat. Verdachte heeft niet geanticipeerd op de mogelijkheid dat een tegemoetkomende personenauto zou afslaan, maar heeft een zeer groot risico genomen door, zonder (voldoende) af te remmen, hard door te rijden en op de linkerhelft van de weg te gaan rijden. Hoewel [betrokkene] verdachte voorrang had moeten verlenen, hoefde hij met dit rijgedrag van verdachte geen rekening te houden. Naar het oordeel van de rechtbank past het rijgedrag van verdachte in het geheel niet bij een oplettende en verstandige weggebruiker en wijkt het daar in substantiële mate vanaf.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de gegeven (hiervoor benoemde) omstandigheden aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en dus schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW.
Zwaar lichamelijk letsel
[slachtoffer] heeft als gevolg van het ongeval een gebroken scheen- en kuitbeen en een hersenschudding opgelopen. Zij is in het ziekenhuis geopereerd en er is een pin in haar onderbeen geplaatst. De genezingsduur is op zes tot twaalf maanden geschat. De rechtbank is van oordeel dat dit letsel, gelet op de aard, de gevolgen en de (lange) herstelduur daarvan, als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Dit is ook niet door verdachte betwist.
Conclusie
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit daarmee wettig en overtuigend bewezen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 2 januari 2023 te Dussen, gemeente Altena, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), daarmede rijdende over de weg, de Schenkeldijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,
zonder in het in bezit te zijn van een rijbewijs (categorie AM) om een dergelijk
motorrijtuig te mogen besturen,
op de rijbaan van die weg onvoldoende rechts gehouden en (deels) gereden op
het weggedeelte dat bestemd is voor het aan hem, verdachte, tegemoetkomende
verkeer en
niet op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en op het overige verkeer gelet en
met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 30
kilometer per uur gereden,
waardoor hij, verdachte, met de door hem bestuurde motorrijtuig (bromfiets) in
botsing is gekomen met een aan hem, verdachte, tegemoetkomende personenauto
(Seat met [kenteken] ), door welk verkeersongeval, [slachtoffer] (zijnde de bijrijder van de bromfiets) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten: een gebroken linker scheenbeen en een gebroken kuitbeen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een geldboete van € 500,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
6.2
Het standpunt van verdachte
Verdachte heeft verzocht aan hem geen ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Dit zou namelijk betekenen dat hij geen transportwerkzaamheden meer kan verrichten, terwijl dat de enige werkzaamheden zijn die hij in verband met zijn fysieke beperkingen op dit moment kan doen. Voorts heeft hij zijn rijbewijs nodig om zijn gevoel van vrijheid te kunnen behouden.
6.3
Beoordeling
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft op 2 januari 2023 in Dussen een verkeersongeval veroorzaakt. Hij is die dag op zijn bromfiets gestapt, terwijl hij geen geldig rijbewijs had en dus de weg niet op mocht. Hij heeft daarbij een passagier, zijn toenmalige vriendin [slachtoffer] , achterop zijn bromfiets meegenomen. Gelet daarop was extra voorzichtigheid geboden. Desondanks heeft hij, terwijl hij een onoverzichtelijke kruising naderde, met een te hoge snelheid aan de verkeerde kant van de weg gereden. Hij is vervolgens met zijn bromfiets tegen een tegemoetkomende personenauto gebotst. Zowel hij als zijn toenmalige vriendin zijn van de bromfiets gevallen en zijn hierdoor zwaar gewond geraakt. Door op deze wijze aan het verkeer deel te nemen heeft verdachte zich onverschillig getoond tegenover de geldende verkeersregels en de veiligheid van andere verkeersdeelnemers.
Het strafblad
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte. Het is niet de eerste keer dat verdachte voor verkeersfeiten met politie en justitie in aanraking komt. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij vaker heeft gereden zonder geldig rijbewijs. De rechtbank heeft dan ook de indruk dat verdachte het soms minder nauw neemt met de verkeersregels en de verkeersveiligheid. Dit zal zij in het nadeel van verdachte meewegen. Verder blijkt uit het strafblad van verdachte dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
De straf
De rechtbank neemt bij het bepalen van de hoogte van de straf als uitgangspunt de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. De oriëntatiepunten gaan in geval van het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag uit van een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 6 maanden. De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de omstandigheid dat verdachte bij het ongeval zelf ook ernstig gewond is geraakt en dat hij nog dagelijks lichamelijke klachten ondervindt, waardoor het uitvoeren van een taakstraf voor hem zwaarder is dan normaal gesproken voor hem zou zijn geweest.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is en zal dit aan verdachte opleggen. Daarnaast acht de rechtbank mede vanuit het oogpunt van normhandhaving een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden op zijn plaats. Hiermee wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare (verkeers)feiten te plegen en om aan hem het signaal af te geven dat alertheid en voorzichtigheid in het verkeer te allen tijde geboden is.
7De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Bijkomende straffen
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. V. Hartman, voorzitter, mr. C.H.W.M. Sterk en mr. D. van Kralingen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 augustus 2024.
Mr. Sterk is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen
9Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 2 januari 2023 te Dussen, gemeente Altena, althans in
Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig
(bromfiets), daarmede rijdende over de weg, de Schenkeldijk, zich zodanig heeft
gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
immers heeft hij, verdachte, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,
onvoorzichtig en/of onoplettend,
zonder in het in bezit te zijn van een rijbewijs (categorie AM) om een dergelijk
motorrijtuig te kunnen/mogen besturen en/of terwijl hij,
op de rijbaan van die weg onvoldoende rechts gehouden en/of (deels) gereden op
het weggedeelte dat bestemd is voor het aan hem, verdachte, tegemoetkomende
verkeer en/of
niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die
weg en/of op het overige verkeer gelet en/of
met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 30
kilometer per uur gereden, in elk geval gereden met een hogere snelheid dan ter
plaatse verantwoord was,
waardoor hij, verdachte, met de door hem bestuurde motorrijtuig (bromfiets) in
botsing is gekomen met een aan hem, verdachte, tegemoetkomende personenauto
(Seat met [kenteken] ), door welk verkeersongeval,
[slachtoffer] (zijnde de bijrijder van de bromfiets) zwaar lichamelijk letsel,
althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of
verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, te weten:
een gebroken linker scheenbeen en/of een gebroken kuitbeen;
( art. 6 Wegenverkeerswet 1994 )