Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-07-29
ECLI:NL:RBZWB:2024:5183
Strafrecht
Op tegenspraak
7,554 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/300012-23
vonnis van de meervoudige kamer van 29 juli 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag 1] 1996 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsman mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 juli 2024, waarbij de officier van justitie, mr. D. Colak, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaak van [medeverdachte] (parketnummer 02/300038-23).
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander 147 liter amfetamine opzettelijk heeft bereid dan wel aanwezig heeft gehad (feit 1) en samen met een ander voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van synthetische drugs (feit 2).
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht op grond van het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1 en 2.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Aangezien verdachte op het onderzoek ter terechtzitting een bekennende verklaring heeft afgelegd voor de feiten 1 en 2 en geen vrijspraak daarvoor is bepleit, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district De Markiezaten, registratienummer PL2000-2023289484, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en digitaal doorgenummerd van pagina 1 tot en met 248.
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de ter zitting van 15 juli 2024 afgelegde bekennende verklaring van verdachte;
- het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname door [verbalisant] , d.d. 15 november 2023 (p. 63-96);
- het geschrift, zijnde het rapport van het team Landelijke Faciliteit Ontmantelen, d.d. 10 juni 2024;
- het geschrift, zijnde het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2024.03.04.126, d.d. 12 april 2024.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 13 november 2023 te [plaats], gemeente Halderberge tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 147 liter van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
op 13 november 2023 te [plaats], gemeente Halderberge tezamen en in vereniging met een ander om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk vervaardigen van amfetamine-olie en metamfetamine-olie en
metamfetamine.HCL, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
- voorwerpen en stoffen, voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en
zijn mededader, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers, hebben hij, verdachte en zijn mededader toen aldaar
- een in werking zijnde laboratorium-opstelling bedoeld/bestemd voor de productie/vervaardiging van amfetamine(-olie) en metamfetamine(olie en – HCL) en
- grote hoeveelheden mierenzuur en BMK-glycidezuur en fosforzuur en zoutzuur en (andere) chemicaliën en grondstoffen/hulpstoffen bestemd voor de productie/vervaardiging van amfetamine(-olie) en metamfetamine(olie en – HCL), althans synthetische drugs en
- productiemiddelen / voorwerpen bestemd voor de productie/vervaardiging van amfetamine(-olie) en metamfetamine(olie en – HCL), althans synthetische drugs
voorhanden gehad, waarvan verdachte en zijn mededader wisten dat die bestemd
waren tot het plegen van dat feit.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt primair aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 363 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank kan hiernaast eventueel een forse taakstraf opleggen. Subsidiair wordt verzocht om op te leggen een gevangenisstraf van 2 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De verdediging verzoekt om in strafmatigende zin rekening te houden met de bekennende verklaring van verdachte. Ook heeft hij inzicht getoond in zijn delictgedrag en heeft hij meegewerkt aan alle bijzondere voorwaarden. Daarnaast had verdachte een beperkte rol en is hij first offender.
6.3
Beoordeling
Verdachte heeft samen met [medeverdachte] voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs verricht in een bedrijfspand gelegen aan de [adres] in [plaats]. Daarnaast heeft hij samen met [medeverdachte] 147 liter amfetamine aanwezig gehad. In het bedrijfspand was een laboratorium aanwezig waarin op grote schaal (met)amfetamine kon worden geproduceerd. Verdachte is naar eigen zeggen vier keer aanwezig geweest in het pand en had een ondersteunende rol, bestaande uit het verrichten van hand- en spandiensten en het aangeven van kannen.
Verdachte heeft aldus een bijdrage geleverd aan de (internationale) handel in harddrugs. Hij is daarmee mede verantwoordelijk voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Daarbij is van belang dat harddrugs stoffen zijn die verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. Bovendien gaat er van de georganiseerde drugshandel in toenemende mate een ondermijnend effect uit en raken boven- en onderwereld steeds meer met elkaar vermengd. De handel in harddrugs is regelmatig de oorzaak van geweldsexplosies, waarmee ook onschuldige en nietsvermoedende burgers worden geconfronteerd. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en heeft kennelijk enkel gehandeld met het oog op eigen financieel gewin.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Hij is dan ook first offender. De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van het reclasseringsrapport over verdachte van 1 juli 2024. Daarin wordt geconcludeerd dat zijn schulden, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en zijn houding delict gerelateerd worden geacht. Verdachte heeft een schuld bij de Belastingdienst en dacht door te werken in het drugslab snel geld te verdienen om zo van zijn schuld af te komen. Op de overige leefgebieden worden geen problemen gezien. Verdachte is na de feiten verhuisd uit de omgeving waar zijn negatieve sociale contacten zich zouden bevinden. Hij heeft een relatie, woont samen, heeft werk en krijgt hulp bij zijn financiën. Ook heeft verdachte inmiddels een steunend netwerk om zich heen. Verder zijn er geen indicaties waaruit blijkt dat er sprake zou zijn van problematisch middelengebruik. De kans op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden een meldplicht, het volgen van gedragsinterventie, een contactverbod met de [medeverdachte] en medewerking aan schuldhulpverlening.
In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank zijn open proceshouding op zitting mee. Hij heeft zijn verantwoordelijkheid genomen en heeft inzicht gegeven in zijn handelen. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verdachte geen coördinerende maar ondersteunende rol had en dat hij een korte periode betrokken is geweest bij het drugslab. Tot slot heeft verdachte op zitting de inhoud van het reclasseringsrapport bevestigd en aangegeven dat hij inmiddels zijn leven weer op de rit heeft.
Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)-oriëntatiepunten en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en met het feit dat sprake is van eendaadse samenloop. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan de proeftijd zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2: medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* Meldplicht bij reclassering
dat verdachte zich binnen 5 dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2, 3524 SJ te Utrecht (tel: 088 8041101). Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
dat verdachte actief deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
* Contactverbod
dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [medeverdachte] (geboren op [geboortedag 2] -1990), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
* Meewerken aan schuldhulpverlening
dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. Dit alles geldt zolang de reclassering dit nodig vindt;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Verschueren, voorzitter, mr. C.H.W.M. Sterk en
mr. S.W.M. Speekenbrink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 juli 2024.
Mr. Verschueren is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/300012-23
vonnis van de meervoudige kamer van 29 juli 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag 1] 1996 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsman mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 juli 2024, waarbij de officier van justitie, mr. D. Colak, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaak van [medeverdachte] (parketnummer 02/300038-23).
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander 147 liter amfetamine opzettelijk heeft bereid dan wel aanwezig heeft gehad (feit 1) en samen met een ander voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van synthetische drugs (feit 2).
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht op grond van het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1 en 2.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Aangezien verdachte op het onderzoek ter terechtzitting een bekennende verklaring heeft afgelegd voor de feiten 1 en 2 en geen vrijspraak daarvoor is bepleit, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district De Markiezaten, registratienummer PL2000-2023289484, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en digitaal doorgenummerd van pagina 1 tot en met 248.
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de ter zitting van 15 juli 2024 afgelegde bekennende verklaring van verdachte;
- het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname door [verbalisant] , d.d. 15 november 2023 (p. 63-96);
- het geschrift, zijnde het rapport van het team Landelijke Faciliteit Ontmantelen, d.d. 10 juni 2024;
- het geschrift, zijnde het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2024.03.04.126, d.d. 12 april 2024.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 13 november 2023 te [plaats], gemeente Halderberge tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 147 liter van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
op 13 november 2023 te [plaats], gemeente Halderberge tezamen en in vereniging met een ander om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk vervaardigen van amfetamine-olie en metamfetamine-olie en
metamfetamine.HCL, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
- voorwerpen en stoffen, voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en
zijn mededader, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers, hebben hij, verdachte en zijn mededader toen aldaar
- een in werking zijnde laboratorium-opstelling bedoeld/bestemd voor de productie/vervaardiging van amfetamine(-olie) en metamfetamine(olie en – HCL) en
- grote hoeveelheden mierenzuur en BMK-glycidezuur en fosforzuur en zoutzuur en (andere) chemicaliën en grondstoffen/hulpstoffen bestemd voor de productie/vervaardiging van amfetamine(-olie) en metamfetamine(olie en – HCL), althans synthetische drugs en
- productiemiddelen / voorwerpen bestemd voor de productie/vervaardiging van amfetamine(-olie) en metamfetamine(olie en – HCL), althans synthetische drugs
voorhanden gehad, waarvan verdachte en zijn mededader wisten dat die bestemd
waren tot het plegen van dat feit.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt primair aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 363 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank kan hiernaast eventueel een forse taakstraf opleggen. Subsidiair wordt verzocht om op te leggen een gevangenisstraf van 2 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De verdediging verzoekt om in strafmatigende zin rekening te houden met de bekennende verklaring van verdachte. Ook heeft hij inzicht getoond in zijn delictgedrag en heeft hij meegewerkt aan alle bijzondere voorwaarden. Daarnaast had verdachte een beperkte rol en is hij first offender.
6.3
Beoordeling
Verdachte heeft samen met [medeverdachte] voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs verricht in een bedrijfspand gelegen aan de [adres] in [plaats]. Daarnaast heeft hij samen met [medeverdachte] 147 liter amfetamine aanwezig gehad. In het bedrijfspand was een laboratorium aanwezig waarin op grote schaal (met)amfetamine kon worden geproduceerd. Verdachte is naar eigen zeggen vier keer aanwezig geweest in het pand en had een ondersteunende rol, bestaande uit het verrichten van hand- en spandiensten en het aangeven van kannen.
Verdachte heeft aldus een bijdrage geleverd aan de (internationale) handel in harddrugs. Hij is daarmee mede verantwoordelijk voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Daarbij is van belang dat harddrugs stoffen zijn die verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. Bovendien gaat er van de georganiseerde drugshandel in toenemende mate een ondermijnend effect uit en raken boven- en onderwereld steeds meer met elkaar vermengd. De handel in harddrugs is regelmatig de oorzaak van geweldsexplosies, waarmee ook onschuldige en nietsvermoedende burgers worden geconfronteerd. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en heeft kennelijk enkel gehandeld met het oog op eigen financieel gewin.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Hij is dan ook first offender. De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van het reclasseringsrapport over verdachte van 1 juli 2024. Daarin wordt geconcludeerd dat zijn schulden, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en zijn houding delict gerelateerd worden geacht. Verdachte heeft een schuld bij de Belastingdienst en dacht door te werken in het drugslab snel geld te verdienen om zo van zijn schuld af te komen. Op de overige leefgebieden worden geen problemen gezien. Verdachte is na de feiten verhuisd uit de omgeving waar zijn negatieve sociale contacten zich zouden bevinden. Hij heeft een relatie, woont samen, heeft werk en krijgt hulp bij zijn financiën. Ook heeft verdachte inmiddels een steunend netwerk om zich heen. Verder zijn er geen indicaties waaruit blijkt dat er sprake zou zijn van problematisch middelengebruik. De kans op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden een meldplicht, het volgen van gedragsinterventie, een contactverbod met de [medeverdachte] en medewerking aan schuldhulpverlening.
In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank zijn open proceshouding op zitting mee. Hij heeft zijn verantwoordelijkheid genomen en heeft inzicht gegeven in zijn handelen. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verdachte geen coördinerende maar ondersteunende rol had en dat hij een korte periode betrokken is geweest bij het drugslab. Tot slot heeft verdachte op zitting de inhoud van het reclasseringsrapport bevestigd en aangegeven dat hij inmiddels zijn leven weer op de rit heeft.
Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)-oriëntatiepunten en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en met het feit dat sprake is van eendaadse samenloop. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan de proeftijd zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2: medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* Meldplicht bij reclassering
dat verdachte zich binnen 5 dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2, 3524 SJ te Utrecht (tel: 088 8041101). Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
dat verdachte actief deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
* Contactverbod
dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [medeverdachte] (geboren op [geboortedag 2] -1990), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
* Meewerken aan schuldhulpverlening
dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. Dit alles geldt zolang de reclassering dit nodig vindt;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Verschueren, voorzitter, mr. C.H.W.M. Sterk en
mr. S.W.M. Speekenbrink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 juli 2024.
Mr. Verschueren is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.