Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-07-24
ECLI:NL:RBZWB:2024:5103
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,810 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/186
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 16 december 2023.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd met dagtekening 18 december 2023 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting.
Feiten
2. Op 6 december 2023 omstreeks 14:43 uur stond de auto van belanghebbende met [kenteken] (de auto) geparkeerd aan de Topaasstraat te Breda.
2.1.
Tijdens een controle van een scanauto werd geconstateerd dat belanghebbende stond geparkeerd in parkeerzone 21910 en dat de daarvoor verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Daarom is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 54,25, bestaande uit € 1,50 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 52,75 aan kosten van de naheffingsaanslag.
2.2.
Belanghebbende heeft parkeerbelasting voldaan gebruikmakend van een softwareapplicatie van een derde (de app). Hij heeft € 3,30 aan parkeerbelasting voldaan voor zonenummer 21911 voor de periode van 14:43u tot 17:51u op 6 december 2023.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die belanghebbende heeft aangevoerd.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
5. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd. Hij heeft via de app de auto aangemeld voor de verkeerde parkeerzone, zijnde zone 21911. Dat hij parkeerbelasting heeft voldaan voor de verkeerde zone is te wijten aan de onduidelijke situatie ter plekke en de onduidelijke instructies in de app. Parkeerzone 21911 werd door de app als dichtstbijzijnde zone aangewezen.
De heffingsambtenaar stelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat belanghebbende de parkeerbelasting voor de zone waar hij stond geparkeerd niet heeft voldaan. Dat hij parkeerbelasting heeft voldaan voor een andere zone is een omstandigheid die voor rekening en risico van belanghebbende dient te blijven. Op belanghebbende rust een onderzoeksplicht om vast te stellen dat parkeerbelasting op de juiste wijze wordt voldaan. Bovendien geldt in parkeerzone 21911 een lager parkeertarief, zodat niet gezegd kan worden dat de parkeerbelasting volledig is voldaan.
5.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat op de locatie waar de auto geparkeerd stond tegen betaling van parkeerbelasting geparkeerd mag worden en dat er ook feitelijk sprake is geweest van parkeren. Dat belanghebbende zich via de app voor de foutieve parkeerzone heeft aangemeld en voor deze (onjuiste) zone feitelijk wel parkeerbelasting heeft voldaan is evenmin in geschil.
5.2.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat van een weggebruiker mag worden verwacht dat hij zichzelf op de hoogte stelt van het parkeerregime dat op de parkeerlocatie van toepassing is. Deze onderzoeksplicht is ook van toepassing indien gebruik wordt gemaakt van een app. Voor een dergelijk geval rust op de parkeerder de verplichting om de ter plaatse beschikbare informatie over zone-codes (bebording) te combineren met de informatie in de app. De bebording is leidend als het gaat om de zonecodes, niet de informatie in de app. Anders gezegd: met het zich uitsluitend laten leiden door de informatie die verschijnt op het beeldscherm bij het openen van de app heeft belanghebbende zich onvoldoende ingespannen om te verifiëren welke zone-code van toepassing was. Bovendien is eerder beslist dat het foutief invoeren van de gebiedscode in de parkeerapp voor rekening en risico van belanghebbende komt.
Ook de omstandigheid dát is betaald maakt het voorgaande niet anders. Op de gemeente rust geen plicht om betalingen te verrekenen. Op de daaraan impliciet gekoppelde vraag of dat redelijk is, kan de rechter geen antwoord geven. Immers, de redelijkheid der wet kan niet ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd.
In het geval van belanghebbende betekent dit naar het oordeel van de rechtbank dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zij geloofwaardig acht dat belanghebbende de parkeerbelasting wilde voldoen, maar de intentie van belanghebbende is gelet op het objectieve karakter van de belasting niet van belang.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp, rechter, in aanwezigheid van S. Saasen, griffier, op 24 juli 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 2 juni 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2248.
Gerechtshof Den Haag 6 juli 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BN1209.
Artikel 120 van de Grondwet.
Rechtbank Amsterdam 17 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1282.