Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-05
ECLI:NL:RBZWB:2024:4409
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,431 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 10784356 \ CV EXPL 23-3400
Vonnis van 5 juni 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] , [land] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. L.J. de Rijke,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 december 2023 met de daarin genoemde processtukken;
- de brief met aanvullende producties van [eiser] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 mei 2024. Ter zitting is verschenen [eiser] , bijgestaan door mr. L.J. de Rijke. [gedaagde] was, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen en zonder enige kennisgeving aan de rechtbank, niet aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1
[eiser] vordert, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 24.999,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis.
2.2
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat partijen een overeenkomst tot geldlening zijn overeengekomen, op grond waarvan [eiser] € 25.000,- te leen heeft verstrekt aan [gedaagde] en dat [gedaagde] niet overgaat tot terugbetaling van het geleende bedrag. [eiser] doet afstand van het bedrag boven de € 24.999,-.
2.3
[gedaagde] voert verweer. Hij stelt dat de vordering van [eiser] is gebaseerd op een fictieve geldlening. [gedaagde] heeft in het verleden te maken gehad met loonbeslag en beslag op zijn AOW uitkering. Deze situatie heeft hij besproken met [eiser] , die een goede oude vriend van hem was en hem voorstelde een fictieve geldleningsovereenkomst op te stellen met als doel vrij te besteden vermogen uit handen van de schuldeiser te houden. [gedaagde] heeft nooit geld ontvangen van [eiser] .
Beoordeling
3.1
De kantonrechter stelt voorop dat zij uit het niet verschijnen van [gedaagde] op de mondelinge behandeling de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht (artikel 88 lid 2 Rv).
3.2
Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] een aantal schermprints van whatsappgesprekken tussen [eiser] en [gedaagde] overgelegd, die erop duiden dat [gedaagde] een bedrag dient te betalen aan [eiser] . Ter zitting heeft [eiser] zijn stellingen met betrekking tot het bestaan van een geldlening tussen partijen herhaald en een nadere toelichting gegeven over hoe deze geldlening tot stand is gekomen.
3.3
Het gevolg van het niet verschijnen van [gedaagde] ter zitting is dat hij de (nadere) stellingen van [eiser] onvoldoende heeft weersproken. Dit brengt met zich dat het er in rechte voor gehouden moet worden dat tussen partijen een geldlening tot stand is gekomen, waarbij [eiser] aan [gedaagde] een bedrag van € 25.000,- heeft uitgeleend, welk bedrag door [gedaagde] niet is terugbetaald. De vordering van [eiser] zal dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de (evenmin weersproken) wettelijke rente vanaf heden.
3.4
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
129,86
- griffierecht
€
693,00
- salaris gemachtigde
€
1.086,00
(2,00 punten × € 543,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.043,86
Dictum
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 24.999,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.043,86, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2024, in tegenwoordigheid van de griffier.