Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-26
ECLI:NL:RBZWB:2024:4408
Civiel recht
Bodemzaak
2,176 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 10883393 \ CV EXPL 24-210
Vonnis van 26 juni 2024
in de zaak van
BUDGET THUIS B.V. H.O.D.N. BUDGETENERGIE,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: BudgetEnergie,
gemachtigde: J.J. Sikkema,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1Waar de zaak over gaat
1.1.
Partijen hebben een overeenkomst voor levering van elektriciteit en gas gesloten. Deze overeenkomst is per 1 mei 2022 geëindigd. BudgetEnergie heeft in verband daarmee op 4 juli 2022 een eindnota gestuurd. [gedaagde] heeft van die factuur een klein deel betaald. Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde] het restant nog moet betalen.
2Hoe de procedure is verlopen
2.1.
Hoe de procedure is verlopen, blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 februari 2024
- de mondelinge behandeling van 23 mei 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de akte van BudgetEnergie.
2.2.
Hierna is vonnis bepaald.
3Van welke feiten de kantonrechter uitgaat
3.1.
BudgetEnergie is een energieleverancier.
3.2.
Tussen partijen is met ingang van 21 maart 2019 een overeenkomst voor levering van elektriciteit en gas tot stand gekomen betreffende het [adres] .
3.3.
[gedaagde] heeft op 16 april 2022 als meterstand voor elektra 38002 kWh doorgegeven aan BudgetEnergie.
3.4.
In april 2022 is [gedaagde] verhuisd.
3.5.
De overeenkomst tussen partijen is per 1 mei 2022 geëindigd.
3.6.
De nieuwe bewoners van het [adres] hebben op 9 juni 2022 aan energieleverancier Vattenfall als meterstanden doorgegeven 39459 kWh (elektra) en 16735 m3 (gas). BudgetEnergie heeft op verzoek van Vattenfall de meterstanden per 1 mei 2022 aangepast aan die van 9 juni 2022.
3.7.
BudgetEnergie heeft [gedaagde] op 4 juli 2022 een (nieuwe) eindnota van € 3.662,04 gestuurd.
3.8.
[gedaagde] heeft daarvan € 638,51 betaald.
4Waar de kantonrechter over moet oordelen
4.1.
BudgetEnergie vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.662,78, bestaande uit € 3.023,53 aan hoofdsom, € 211,90 aan wettelijke rente tot en met 19 december 2023 en € 427,35 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 20 december 2023, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde] voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5Hoe de kantonrechter oordeelt
5.1.
Tussen partijen heeft tot 1 mei 2022 een overeenkomst voor levering van elektriciteit en gas bestaan. Partijen zijn het erover oneens of [gedaagde] nog voor door BudgetEnergie geleverde energie moet betalen.
5.2.
Uitgangspunt bij een overeenkomst voor levering van energie is dat de afnemer betaalt voor - onder meer - de door hem daadwerkelijk verbruikte elektriciteit en gas, berekend op basis van het verschil tussen de begin- en eindstand van de betreffende meter.
5.3.
Vast staat dat [gedaagde] wel beginstanden maar geen eindstanden per 1 mei 2022 heeft doorgegeven aan BudgetEnergie. Wat de werkelijke meterstanden per 1 mei 2022 waren, kan ook niet meer worden achterhaald. Anders dan in de stukken aangegeven is ter zitting echter wel gebleken dat [gedaagde] op 16 april 2022 als meterstand voor elektra heeft doorgegeven 38002 kWh. Die meterstand was ruim 1400 kWh lager dan de door de nieuwe bewoners van het leveringsadres op 9 juni 2022 doorgegeven meterstand voor elektra (39459 kWh). Tussen het doorgeven van de meterstand op 16 april 2022 en de einddatum van het contract zaten ‘maar’ twee weken, terwijl 9 juni 2022 ruim vijf weken na die einddatum was. Verder heeft BudgetEnergie ter zitting aangegeven dat de op 16 april 2022 doorgegeven meterstand in lijn lag met het elektriciteitsverbruik gedurende de contractsperiode. De kantonrechter zal daarom in het voordeel van [gedaagde] uitgaan van de lagere meterstand. Onweersproken is dat het verschil tussen die twee standen overeenkomt met een bedrag van € 326,-. Dat bedrag zal dan ook in mindering worden gebracht op de gevorderde hoofdsom van € 3.023,53. Voor het overige heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de eindnota anders dan dat deze veel te hoog is. Hij heeft dit echter helemaal niet onderbouwd. Het voorgaande betekent dat aan hoofdsom zal worden toegewezen € 2.697,53.
5.4.
BudgetEnergie heeft wettelijke rente over de hoofdsom gevorderd. Deze vordering zal, vanwege het uitblijven van tijdige betaling, op de voet van artikel 6:119 BW worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.5.
BudgetEnergie vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. BudgetEnergie heeft op 27 augustus 2022 per e-mail aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. [gedaagde] heeft ter zitting erkend die
e-mail te hebben ontvangen. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De vordering van € 427,35 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 394,75 bij € 2.697,53 in hoofdsom. De kantonrechter wijst daarom € 394,75 toe.
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
€
2.697,53
- buitengerechtelijke incassokosten
€
394,75
+
totaal
€
3.092,28
5.7.
Hiervoor is al overwogen dat [gedaagde] de door BudgetEnergie gestuurde aanmaning van 27 augustus 2022 heeft ontvangen. De op de rolzitting van 24 januari 2024 door [gedaagde] ingenomen stelling dat hij na juni 2022 tot de dagvaarding niets meer over deze zaak heeft gehoord, is dus niet juist. Ook overigens is de kantonrechter niet gebleken dat BudgetEnergie [gedaagde] ten onrechte in rechte heeft betrokken. Op het moment van dagvaarding was er namelijk sprake van een (aanzienlijke) betalingsachterstand.
5.8.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Dictum
De kantonrechter:
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan BudgetEnergie te betalen € 3.092,28, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 2.697,53, vanaf de vervaldatum van de onderliggende factuur, tot de dag van volledige betaling;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.198,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2024.