Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-17
ECLI:NL:RBZWB:2024:4145
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
4,568 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11149953 \ VV EXPL 24-52
Vonnis in kort geding van 17 juni 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. D. Marcus,
tegen
STICHTING WONENBREBURG,
te Tilburg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: WonenBreburg,
gemachtigde: mr. C.P. van den Berg.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in kort geding met verkorte dagvaardingstermijn van 11 juni 2024 met producties;
de op 13 juni 2024 door de griffie ontvangen akte met producties van WonenBreburg,
de mondelinge behandeling van 14 juni 2024 waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
de pleitnota van WonenBreburg.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Bij vonnis in kort geding van 15 mei 2024 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant [eiser] veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het vonnis de woning aan de [adres] te [plaats] te ontruimen (zaaknummer 11033089 VV EXPL
24-26).
2.2.
De woning is op 12 juni 2024 ontruimd.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad, schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 15 mei 2024, en WonenBreburg met onmiddellijke ingang te verbieden om executiemaatregelen te treffen op basis van dat vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per dag of dagdeel dat WonenBreburg zich alsnog niet houdt aan dit vonnis, met een maximum van € 100.000,00, totdat in hoger beroep een eindarrest is gewezen en betekend, met veroordeling van WonenBreburg in de proceskosten, vermeerderd met rente.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft spoedeisend belang bij zijn vordering, omdat de ontruiming met zich meebrengt dat [eiser] per 12 juni 2024 dakloos is. Schorsing van de executie van het vonnis in kort geding van 15 mei 2024 is mogelijk, omdat sprake is van misbruik van (executie)recht. Hij voert aan dat sprake is geweest van een kort geding en geen bodemprocedure, waardoor er een dusdanige behandeling heeft plaatsgevonden waarbij [eiser] niet in de gelegenheid is gesteld om nader bewijs aan te leveren door het horen van getuigen. Inhoudelijk ging het slechts om één incident en niet om diverse incidenten zoals WonenBreburg in die procedure heeft aangevoerd. Er is ook geen enkel strafrechtelijk vonnis waaruit volgt dat [eiser] is veroordeeld voor de gestelde strafbare feiten en [eiser] heeft geen overlast veroorzaakt.
Verder zal de executie van het vonnis leiden tot een noodtoestand aan de zijde van [eiser] , waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. [eiser] is een kwetsbaar persoon en zal dakloos worden, want hij heeft geen sociaal netwerk waar hij op terug kan vallen en hij staat ook niet ingeschreven bij woningbouwverenigingen. Ontruiming heeft niet alleen gevolgen voor zijn financiële situatie, maar ook de hulpverlening zal bemoeilijkt worden als hij geen woning meer heeft. [eiser] heeft al een appelprocedure aanhangig gemaakt. Zijn belangen bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet in hoger beroep is beslist, wegen dan ook zwaarder dan het belang van WonenBreburg om de veroordeling tot ontruiming ten uitvoer te leggen.
3.3.
WonenBreburg voert verweer. WonenBreburg concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] en subsidiair tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
WonenBreburg voert het volgende aan. De ontruiming heeft al plaatsgevonden, zodat [eiser] geen enkel belang meer heeft bij zijn vorderingen en dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voor zover een inhoudelijke beoordeling aan de orde is, voert WonenBreburg aan dat er geen juridische grondslag bestaat voor toewijzing van de vorderingen in dit kort geding. Er is geen sprake van een te executeren vonnis dat klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag. Ook is geen sprake van een noodtoestand, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Deze situaties doen zich niet voor en [eiser] heeft deze bovendien ook niet gemotiveerd onderbouwd. WonenBreburg voert verder aan dat het juist is dat er bij een kort geding geen getuigen worden gehoord, maar dat maakt niet dat sprake is van een juridische of kennelijke misslag. Daarnaast is het feit dat [eiser] dakloos dreigt te worden geen nieuw feit dat na het vonnis is opgekomen. Over het feit dat [eiser] aanvoert dat hulpverlening bemoeilijkt wordt bij het verlies van de woning voert WonenBreburg aan dat zij uitvoerig overleg heeft gehad met de gemeente en het Zorg- en Veiligheidshuis en voor zover bij haar bekend weigert [eiser] hulpverlening. WonenBreburg voert verder aan dat zij groot belang heeft gehad bij de tenuitvoerlegging van het vonnis. Er was sprake van een situatie van ernstige wanprestatie aan de zijde van [eiser] die WonenBreburg niet hoeft te accepteren. WonenBreburg moet instaan voor een veilige leefomgeving en woongenot van directe omgeving en dat kon niet meer worden gegarandeerd. Drie direct omwonenden zijn opgelucht dat de woning inmiddels ontruimd is. De directe bovenbuur van [eiser] is uit veiligheidsoverwegingen al naar een andere locatie verplaatst onder begeleiding van politie. Het opnieuw verhuren van die bovenwoning kan WonenBreburg niet, omdat zij de veiligheid niet kan garanderen vanwege [eiser] . Voor wat betreft de dwangsom voert WonenBreburg aan dat deze niet kan worden toegewezen, omdat de ontruiming al heeft plaatsgevonden en [eiser] hier dus geen belang meer bij heeft. Verder is de hoogte van de dwangsom buitenproportioneel, want die staat niet in verhouding tot het belang van WonenBreburg bij tenuitvoerlegging van het vonnis. Bovendien beschikt WonenBreburg als woningcorporatie niet over dusdanig omvangrijke financiële middelen om dit soort bedragen te voldoen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter van deze rechtbank heeft in het vonnis van 15 mei 2024 [eiser] veroordeeld om de woning aan de [adres] in [plaats] binnen twee weken te ontruimen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. WonenBreburg wilde het hoger beroep niet afwachten en heeft de ontruiming aangezegd tegen 12 juni 2024 en de ontruiming is vervolgens ook uitgevoerd. Op de dag van de mondelinge behandeling op 14 juni 2024 is de woning reeds ontruimd.
4.2.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vorderingen. [eiser] vordert in dit kort geding namelijk schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 15 mei 2024 en om WonenBreburg te verbieden om executiemaatregelen te treffen. Nu de ontruiming van de woning al heeft plaatsgevonden, en het vonnis dus al ten uitvoer is gelegd, heeft [eiser] geen (spoedeisend) belang meer bij deze vorderingen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] daarom af.
4.3.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van WonenBreburg worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
Totaal
€
678,00
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op
17 juni 2024.
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11149953 \ VV EXPL 24-52
Vonnis in kort geding van 17 juni 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. D. Marcus,
tegen
STICHTING WONENBREBURG,
te Tilburg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: WonenBreburg,
gemachtigde: mr. C.P. van den Berg.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in kort geding met verkorte dagvaardingstermijn van 11 juni 2024 met producties;
de op 13 juni 2024 door de griffie ontvangen akte met producties van WonenBreburg,
de mondelinge behandeling van 14 juni 2024 waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
de pleitnota van WonenBreburg.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Bij vonnis in kort geding van 15 mei 2024 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant [eiser] veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het vonnis de woning aan de [adres] te [plaats] te ontruimen (zaaknummer 11033089 VV EXPL
24-26).
2.2.
De woning is op 12 juni 2024 ontruimd.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad, schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 15 mei 2024, en WonenBreburg met onmiddellijke ingang te verbieden om executiemaatregelen te treffen op basis van dat vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per dag of dagdeel dat WonenBreburg zich alsnog niet houdt aan dit vonnis, met een maximum van € 100.000,00, totdat in hoger beroep een eindarrest is gewezen en betekend, met veroordeling van WonenBreburg in de proceskosten, vermeerderd met rente.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft spoedeisend belang bij zijn vordering, omdat de ontruiming met zich meebrengt dat [eiser] per 12 juni 2024 dakloos is. Schorsing van de executie van het vonnis in kort geding van 15 mei 2024 is mogelijk, omdat sprake is van misbruik van (executie)recht. Hij voert aan dat sprake is geweest van een kort geding en geen bodemprocedure, waardoor er een dusdanige behandeling heeft plaatsgevonden waarbij [eiser] niet in de gelegenheid is gesteld om nader bewijs aan te leveren door het horen van getuigen. Inhoudelijk ging het slechts om één incident en niet om diverse incidenten zoals WonenBreburg in die procedure heeft aangevoerd. Er is ook geen enkel strafrechtelijk vonnis waaruit volgt dat [eiser] is veroordeeld voor de gestelde strafbare feiten en [eiser] heeft geen overlast veroorzaakt.
Verder zal de executie van het vonnis leiden tot een noodtoestand aan de zijde van [eiser] , waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. [eiser] is een kwetsbaar persoon en zal dakloos worden, want hij heeft geen sociaal netwerk waar hij op terug kan vallen en hij staat ook niet ingeschreven bij woningbouwverenigingen. Ontruiming heeft niet alleen gevolgen voor zijn financiële situatie, maar ook de hulpverlening zal bemoeilijkt worden als hij geen woning meer heeft. [eiser] heeft al een appelprocedure aanhangig gemaakt. Zijn belangen bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet in hoger beroep is beslist, wegen dan ook zwaarder dan het belang van WonenBreburg om de veroordeling tot ontruiming ten uitvoer te leggen.
3.3.
WonenBreburg voert verweer. WonenBreburg concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] en subsidiair tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
WonenBreburg voert het volgende aan. De ontruiming heeft al plaatsgevonden, zodat [eiser] geen enkel belang meer heeft bij zijn vorderingen en dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voor zover een inhoudelijke beoordeling aan de orde is, voert WonenBreburg aan dat er geen juridische grondslag bestaat voor toewijzing van de vorderingen in dit kort geding. Er is geen sprake van een te executeren vonnis dat klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag. Ook is geen sprake van een noodtoestand, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Deze situaties doen zich niet voor en [eiser] heeft deze bovendien ook niet gemotiveerd onderbouwd. WonenBreburg voert verder aan dat het juist is dat er bij een kort geding geen getuigen worden gehoord, maar dat maakt niet dat sprake is van een juridische of kennelijke misslag. Daarnaast is het feit dat [eiser] dakloos dreigt te worden geen nieuw feit dat na het vonnis is opgekomen. Over het feit dat [eiser] aanvoert dat hulpverlening bemoeilijkt wordt bij het verlies van de woning voert WonenBreburg aan dat zij uitvoerig overleg heeft gehad met de gemeente en het Zorg- en Veiligheidshuis en voor zover bij haar bekend weigert [eiser] hulpverlening. WonenBreburg voert verder aan dat zij groot belang heeft gehad bij de tenuitvoerlegging van het vonnis. Er was sprake van een situatie van ernstige wanprestatie aan de zijde van [eiser] die WonenBreburg niet hoeft te accepteren. WonenBreburg moet instaan voor een veilige leefomgeving en woongenot van directe omgeving en dat kon niet meer worden gegarandeerd. Drie direct omwonenden zijn opgelucht dat de woning inmiddels ontruimd is. De directe bovenbuur van [eiser] is uit veiligheidsoverwegingen al naar een andere locatie verplaatst onder begeleiding van politie. Het opnieuw verhuren van die bovenwoning kan WonenBreburg niet, omdat zij de veiligheid niet kan garanderen vanwege [eiser] . Voor wat betreft de dwangsom voert WonenBreburg aan dat deze niet kan worden toegewezen, omdat de ontruiming al heeft plaatsgevonden en [eiser] hier dus geen belang meer bij heeft. Verder is de hoogte van de dwangsom buitenproportioneel, want die staat niet in verhouding tot het belang van WonenBreburg bij tenuitvoerlegging van het vonnis. Bovendien beschikt WonenBreburg als woningcorporatie niet over dusdanig omvangrijke financiële middelen om dit soort bedragen te voldoen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter van deze rechtbank heeft in het vonnis van 15 mei 2024 [eiser] veroordeeld om de woning aan de [adres] in [plaats] binnen twee weken te ontruimen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. WonenBreburg wilde het hoger beroep niet afwachten en heeft de ontruiming aangezegd tegen 12 juni 2024 en de ontruiming is vervolgens ook uitgevoerd. Op de dag van de mondelinge behandeling op 14 juni 2024 is de woning reeds ontruimd.
4.2.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vorderingen. [eiser] vordert in dit kort geding namelijk schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 15 mei 2024 en om WonenBreburg te verbieden om executiemaatregelen te treffen. Nu de ontruiming van de woning al heeft plaatsgevonden, en het vonnis dus al ten uitvoer is gelegd, heeft [eiser] geen (spoedeisend) belang meer bij deze vorderingen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] daarom af.
4.3.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van WonenBreburg worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
Totaal
€
678,00
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op
17 juni 2024.