Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-13
ECLI:NL:RBZWB:2024:4018
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
6,968 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
zaakgegevens: C/02/420753 / FA RK 24-1532
datum uitspraak: 13 juni 2024
beschikking
in de zaak van
[minderjarige]
,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling),
gevestigd te Etten-Leur,
[de pleegouders]
,
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de moeder]
, hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader]
, hierna te noemen: de vader,
hierna te noemen: de ouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1De documenten
1.1
Tot de stukken behoren:
- de op 28 maart 2024 ontvangen e-mail van de rechtbank Overijssel met als bijlage de e-mail van [minderjarige] van 22 maart 2024;
- de beschikking van de rechtbank ‘s Gravenhage van 1 juni 2011;
- de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2015.
1.2
De kinderrechter heeft op 7 mei 2024 gesproken met [minderjarige] .
1.3
De kinderrechter heeft tijdens een mondelinge behandeling met gesloten deuren op 21 mei 2024 gesproken met:
- de pleegouders;
- de ouders;
- twee vertegenwoordigsters van de GI;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
2De vraag
2.1
In voormelde e-mail verzoekt [minderjarige] de kinderrechter om weer bij zijn ouders te mogen wonen en om ieder geval vaker contact te mogen hebben met zijn ouders.
Feiten
3.1
Gelet op de documenten en op wat er is verteld staat vast dat:
- bij beschikking van 1 juni 2011 van de rechtbank ‘s Gravenhage zijn de moeder en de vader van het gezag over [minderjarige] ontheven en is Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam benoemd tot voogdes over [minderjarige] ;
- bij beschikking van 11 januari 2012 van het gerechtshof Den Haag is de beschikking van 1 juni 2011 bekrachtigd;
- bij beschikking van 14 december 2015 is Stichting Jeugdbescherming Brabant benoemd tot voogdes over [minderjarige] ;
- [minderjarige] woont ongeveer dertien jaar bij de pleegouders in het arrondissement van de rechtbank Zeeland West-brabant.
Beoordeling
4.1
Een minderjarige is geen zelfstandige procespartij in procedures betreffende het vaststellen van een omgangsregeling met de (juridische) ouders. Om de minderjarige toch een eigen toegang tot de rechtbank te bieden, bestaat de mogelijkheid van informele benadering door in dit geval een e-mail van de minderjarige aan de rechtbank. Op grond van artikel 1:377g jo 1:377a BW kan de rechtbank na een gesprek met de minderjarige ambtshalve een beslissing over de vraag van de minderjarige geven.
4.2
[minderjarige] heeft, kort en zakelijk weergegeven, in zijn e-mail en in het gesprek bij de kinderrechter aangegeven dat hij graag vaker contact zou willen hebben met zijn vader en moeder in [plaats 1] . Hij heeft nu vier keer per jaar gedurende twee uren contact, maar dat vindt hij te weinig. Hij mist zijn ouders erg. Hij zou mogelijk weer bij zijn ouders willen gaan wonen. Hij wil daarom ook gaan wennen in de woonomgeving van de ouders in [plaats 1] . Zijn ouders zijn stabiel. Zijn jongere zusje woont ook bij de ouders en dat gaat goed. Hij heeft dit besproken met de voogdes van de GI. De bezoeken met zijn ouders zouden vaker plaats gaan vinden, maar dat is tot nu toe niet gebeurd. Hij heeft zijn ouders met kerst 2023 voor de laatste keer gezien. Hij krijgt hulpverlening via [ambulante begeleiding] . Hij heeft dan gesprekken met zijn coach [naam] .
4.3
Tijdens de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. Zowel de GI, als de pleegouders en de ouders begrijpen de wens van [minderjarige] . Pleegouders geven daarover aan dat de wens van [minderjarige] dat hij het contact met zijn ouders wil intensiveren in hun ogen authentiek is. De GI heeft echter ook zorgen. Onduidelijk is wat [minderjarige] nu daadwerkelijk zelf wil en welke stappen hij daar zelf toe zet tegenover waar hij over beïnvloed wordt door de ouders. De samenwerking met de ouders verloopt moeizaam. Zij lijken via appcontact veel informatie met [minderjarige] te delen, maar niemand heeft goed zicht op dit appcontact. De GI heeft de zorg dat [minderjarige] klem zit of raakt tussen zijn ouders en zijn pleegouders. Hij is een kwetsbare jongen. Vorig jaar is bij hem autisme vastgesteld. Er is bij hem sprake van een vertraagde informatieverwerking en fragmentarische waarneming. [minderjarige] voegt zich naar de mensen om hem heen en kan verbaal niet goed aangeven wat hij zelf wil. [minderjarige] wordt volgend jaar achttien jaar. Hij mag dan zelf kiezen waar hij gaat wonen. [minderjarige] voelt zich gezien door zijn ouders, omdat zijn ouders hem de aandacht geven. Van begeleid, minimaal contact naar wonen bij de ouders is een grote stap. De GI heeft naar aanleiding van een gesprek met [minderjarige] bekeken of een zorgaanbieder de omgang met de ouders langdurig kan begeleiden, maar er is geen zorgaanbieder in de omgeving die dit doet terwijl [minderjarige] nog in een andere regio woont. De enige optie is dus onbegeleide omgang.
Alle partijen zijn er mee eens om stappen te zetten in het uitbreiden van het contact tussen [minderjarige] en de ouders om [minderjarige] te laten ervaren hoe het met en bij de ouders is. De GI en de pleegouders geven daarbij aan dat het belangrijk is dat [minderjarige] de regie heeft en de ruimte ervaart om zelf de (inhoud van de) stappen te bepalen. De GI vreest daarbij wel dat [minderjarige] niet bij machte is om aan te geven als het niet gaat of hij niet meer wil. Hij vermijdt daarbij ook moeilijke beslissingen. De pleegouders merken veel spanning bij [minderjarige] . Ze geven aan dat hij is bang om de relatie aan beide kanten te verstoren. Daarnaast overziet hij onvoldoende de gevolgen, bijvoorbeeld dat hij zijn beste vriend dan minder of niet meer gaat zien, en vermijdt hij dergelijke onderwerpen. De pleegouders vinden het van belang dat alle partijen [minderjarige] het gevoel gaan geven dat hij centraal staat en dat zij hem ondersteunen in welke keuze hij ook neemt, zodat hij niet met het gevoel wordt belast om te moeten kiezen. De ouders zijn het hiermee eens. Het is van belang dat [minderjarige] hierbij wordt ondersteund door zijn coach [naam] . Het eerste onbegeleide bezoekmoment is gepland op 30 mei 2024 in [plaats 2] . De GI is voornemens om elke drie weken een contactmoment te plannen.
4.4
Namens de Raad is naar voren gebracht dat het de vraag is of [minderjarige] meer contact wil met zijn ouders of dat hij daadwerkelijk daar (in [plaats 1] ) wil gaan wonen. Mogelijk heeft hij een fantasie opgebouwd over hoe het bij zijn ouders zal zijn. Het is in dat kader van belang om [minderjarige] te laten ervaren hoe het bij en met zijn ouders is. De komende periode heeft [minderjarige] al veel keuzes te maken, bijvoorbeeld over zijn vervolgstudie. De Raad adviseert mede daarom, gezien de problematiek van [minderjarige] , om de omgangsregeling te kaderen en zo duidelijkheid te geven aan hem, waarbij hij wel de mogelijkheid krijgt zijn wensen aan te geven en dat partijen daarin meebewegen.
4.5
De kinderrechter kan zich vinden in het advies van de Raad. Gezien de problematiek van [minderjarige] is het van belang om de omvang van de beslissingen die hij moet nemen terug te brengen en de stappen in de omgangsregeling met de ouders voor hem te kaderen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter daarom de volgende stappen met partijen besproken:
- in het komende schooljaar start [minderjarige] op een school in de woonomgeving van de pleegouders en hij zal daar vooralsnog blijven wonen;
- zoals de GI heeft aangegeven zal er eenmaal in de drie weken een contactmoment zijn tussen [minderjarige] en de ouders in [plaats 2] of [plaats 1] , waarbij de ouders verantwoordelijk zijn voor het ophalen en terugbrengen van [minderjarige] ;
- [minderjarige] mag, in gesprek met zijn coach [naam] , bepalen hoe de invulling van een contactmoment is (dag of dagdeel) en op welke locatie ( [plaats 2] , [plaats 1] ). Dit wordt besproken met de GI. De GI communiceert het met de andere partijen;
- het is van belang dat [minderjarige] het gewone, dagelijkse leven bij de ouders gaat ervaren;
- in het een-na-laatste weekend van de zomervakantie van [minderjarige] (regio Zuid Nederland) zal [minderjarige] één nacht overnachten bij de ouders en in de herfstvakantie zal [minderjarige] twee nachten overnachten bij de ouders, mits hij daar aan toe is en hij dat ook zelf wil;
- [minderjarige] moet de ruimte ervaren om te allen tijde op de rem te kunnen trappen en zijn wensen omtrent de omgangsregeling aan kunnen geven, indien nodig in samenspraak met zijn coach [naam] ;
- voor de kerstvakantie 2024 (en in ieder geval voor de nader te plannen mondelinge behandeling bij de kinderrechter) plant de GI een evaluatiemoment met alle partijen. Voor dat evaluatiemoment dient [minderjarige] in de gelegenheid te worden gesteld om zijn mening en wensen kenbaar te maken aan de GI.
4.6
De kinderrechter zal in december 2024 een nadere mondelinge behandeling plannen. Aangezien het zittingsrooster van de rechtbank het niet toelaat om op dit moment een nadere dag en tijdstip te agenderen waarop de mondelinge behandeling zal worden voortgezet, zal de zaak worden aangehouden tot hierna te noemen pro forma datum, waarna de zaak nader zal worden gepland. Tot die datum kunnen partijen eventuele verhinderdata aan de rechtbank doorgeven. De kinderrechter zal dan ook weer een gesprek met [minderjarige] plannen.
4.7
De kinderrechter heeft aan de griffier verzocht om [minderjarige] een brief sturen om hem te informeren over de stappen die zijn besproken. De inhoud van de brief aan [minderjarige] is:
Beste [minderjarige] ,
Op 7 mei 2024 heb jij met de kinderrechter gesproken. In jouw e-mail aan de kinderrechter en tijdens dit gesprek heb jij verteld dat je graag vaker contact wilt hebben met jouw ouders. Zij wonen in [plaats 1] en dat is best ver weg.
Dictum
De kinderrechter:
5.1
houdt de behandeling van de vraag van [minderjarige] , met inachtneming van de stappen zoals beschreven onder overweging 4.5, aan tot dinsdag 3 september 2024 PRO FORMA;
5.2
verzoekt de griffier van de rechtbank om deze zaak uiterlijk op voornoemde pro forma datum, met inachtneming van eventuele verhinderdata van partijen, te plannen op een nader te bepalen mondelinge in december 2024 (voor zover mogelijk bij kinderrechter mr. Van Triest) en partijen tijdig daarvoor op te roepen;
5.3
verzoekt de griffier van de rechtbank om [minderjarige] uit te nodigen voor een kindgesprek met de kinderrechter op een tijdstip vóór de mondelinge behandeling in december 2024;
5.4
behoudt zich verdere iedere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2024 door mr. Van Triest, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Verger-Maas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
zaakgegevens: C/02/420753 / FA RK 24-1532
datum uitspraak: 13 juni 2024
beschikking
in de zaak van
[minderjarige]
,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling),
gevestigd te Etten-Leur,
[de pleegouders]
,
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de moeder]
, hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader]
, hierna te noemen: de vader,
hierna te noemen: de ouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1De documenten
1.1
Tot de stukken behoren:
- de op 28 maart 2024 ontvangen e-mail van de rechtbank Overijssel met als bijlage de e-mail van [minderjarige] van 22 maart 2024;
- de beschikking van de rechtbank ‘s Gravenhage van 1 juni 2011;
- de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2015.
1.2
De kinderrechter heeft op 7 mei 2024 gesproken met [minderjarige] .
1.3
De kinderrechter heeft tijdens een mondelinge behandeling met gesloten deuren op 21 mei 2024 gesproken met:
- de pleegouders;
- de ouders;
- twee vertegenwoordigsters van de GI;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
2De vraag
2.1
In voormelde e-mail verzoekt [minderjarige] de kinderrechter om weer bij zijn ouders te mogen wonen en om ieder geval vaker contact te mogen hebben met zijn ouders.
Feiten
3.1
Gelet op de documenten en op wat er is verteld staat vast dat:
- bij beschikking van 1 juni 2011 van de rechtbank ‘s Gravenhage zijn de moeder en de vader van het gezag over [minderjarige] ontheven en is Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam benoemd tot voogdes over [minderjarige] ;
- bij beschikking van 11 januari 2012 van het gerechtshof Den Haag is de beschikking van 1 juni 2011 bekrachtigd;
- bij beschikking van 14 december 2015 is Stichting Jeugdbescherming Brabant benoemd tot voogdes over [minderjarige] ;
- [minderjarige] woont ongeveer dertien jaar bij de pleegouders in het arrondissement van de rechtbank Zeeland West-brabant.
Beoordeling
4.1
Een minderjarige is geen zelfstandige procespartij in procedures betreffende het vaststellen van een omgangsregeling met de (juridische) ouders. Om de minderjarige toch een eigen toegang tot de rechtbank te bieden, bestaat de mogelijkheid van informele benadering door in dit geval een e-mail van de minderjarige aan de rechtbank. Op grond van artikel 1:377g jo 1:377a BW kan de rechtbank na een gesprek met de minderjarige ambtshalve een beslissing over de vraag van de minderjarige geven.
4.2
[minderjarige] heeft, kort en zakelijk weergegeven, in zijn e-mail en in het gesprek bij de kinderrechter aangegeven dat hij graag vaker contact zou willen hebben met zijn vader en moeder in [plaats 1] . Hij heeft nu vier keer per jaar gedurende twee uren contact, maar dat vindt hij te weinig. Hij mist zijn ouders erg. Hij zou mogelijk weer bij zijn ouders willen gaan wonen. Hij wil daarom ook gaan wennen in de woonomgeving van de ouders in [plaats 1] . Zijn ouders zijn stabiel. Zijn jongere zusje woont ook bij de ouders en dat gaat goed. Hij heeft dit besproken met de voogdes van de GI. De bezoeken met zijn ouders zouden vaker plaats gaan vinden, maar dat is tot nu toe niet gebeurd. Hij heeft zijn ouders met kerst 2023 voor de laatste keer gezien. Hij krijgt hulpverlening via [ambulante begeleiding] . Hij heeft dan gesprekken met zijn coach [naam] .
4.3
Tijdens de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. Zowel de GI, als de pleegouders en de ouders begrijpen de wens van [minderjarige] . Pleegouders geven daarover aan dat de wens van [minderjarige] dat hij het contact met zijn ouders wil intensiveren in hun ogen authentiek is. De GI heeft echter ook zorgen. Onduidelijk is wat [minderjarige] nu daadwerkelijk zelf wil en welke stappen hij daar zelf toe zet tegenover waar hij over beïnvloed wordt door de ouders. De samenwerking met de ouders verloopt moeizaam. Zij lijken via appcontact veel informatie met [minderjarige] te delen, maar niemand heeft goed zicht op dit appcontact. De GI heeft de zorg dat [minderjarige] klem zit of raakt tussen zijn ouders en zijn pleegouders. Hij is een kwetsbare jongen. Vorig jaar is bij hem autisme vastgesteld. Er is bij hem sprake van een vertraagde informatieverwerking en fragmentarische waarneming. [minderjarige] voegt zich naar de mensen om hem heen en kan verbaal niet goed aangeven wat hij zelf wil. [minderjarige] wordt volgend jaar achttien jaar. Hij mag dan zelf kiezen waar hij gaat wonen. [minderjarige] voelt zich gezien door zijn ouders, omdat zijn ouders hem de aandacht geven. Van begeleid, minimaal contact naar wonen bij de ouders is een grote stap. De GI heeft naar aanleiding van een gesprek met [minderjarige] bekeken of een zorgaanbieder de omgang met de ouders langdurig kan begeleiden, maar er is geen zorgaanbieder in de omgeving die dit doet terwijl [minderjarige] nog in een andere regio woont. De enige optie is dus onbegeleide omgang.
Alle partijen zijn er mee eens om stappen te zetten in het uitbreiden van het contact tussen [minderjarige] en de ouders om [minderjarige] te laten ervaren hoe het met en bij de ouders is. De GI en de pleegouders geven daarbij aan dat het belangrijk is dat [minderjarige] de regie heeft en de ruimte ervaart om zelf de (inhoud van de) stappen te bepalen. De GI vreest daarbij wel dat [minderjarige] niet bij machte is om aan te geven als het niet gaat of hij niet meer wil. Hij vermijdt daarbij ook moeilijke beslissingen. De pleegouders merken veel spanning bij [minderjarige] . Ze geven aan dat hij is bang om de relatie aan beide kanten te verstoren. Daarnaast overziet hij onvoldoende de gevolgen, bijvoorbeeld dat hij zijn beste vriend dan minder of niet meer gaat zien, en vermijdt hij dergelijke onderwerpen. De pleegouders vinden het van belang dat alle partijen [minderjarige] het gevoel gaan geven dat hij centraal staat en dat zij hem ondersteunen in welke keuze hij ook neemt, zodat hij niet met het gevoel wordt belast om te moeten kiezen. De ouders zijn het hiermee eens. Het is van belang dat [minderjarige] hierbij wordt ondersteund door zijn coach [naam] . Het eerste onbegeleide bezoekmoment is gepland op 30 mei 2024 in [plaats 2] . De GI is voornemens om elke drie weken een contactmoment te plannen.
4.4
Namens de Raad is naar voren gebracht dat het de vraag is of [minderjarige] meer contact wil met zijn ouders of dat hij daadwerkelijk daar (in [plaats 1] ) wil gaan wonen. Mogelijk heeft hij een fantasie opgebouwd over hoe het bij zijn ouders zal zijn. Het is in dat kader van belang om [minderjarige] te laten ervaren hoe het bij en met zijn ouders is. De komende periode heeft [minderjarige] al veel keuzes te maken, bijvoorbeeld over zijn vervolgstudie. De Raad adviseert mede daarom, gezien de problematiek van [minderjarige] , om de omgangsregeling te kaderen en zo duidelijkheid te geven aan hem, waarbij hij wel de mogelijkheid krijgt zijn wensen aan te geven en dat partijen daarin meebewegen.
4.5
De kinderrechter kan zich vinden in het advies van de Raad. Gezien de problematiek van [minderjarige] is het van belang om de omvang van de beslissingen die hij moet nemen terug te brengen en de stappen in de omgangsregeling met de ouders voor hem te kaderen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter daarom de volgende stappen met partijen besproken:
- in het komende schooljaar start [minderjarige] op een school in de woonomgeving van de pleegouders en hij zal daar vooralsnog blijven wonen;
- zoals de GI heeft aangegeven zal er eenmaal in de drie weken een contactmoment zijn tussen [minderjarige] en de ouders in [plaats 2] of [plaats 1] , waarbij de ouders verantwoordelijk zijn voor het ophalen en terugbrengen van [minderjarige] ;
- [minderjarige] mag, in gesprek met zijn coach [naam] , bepalen hoe de invulling van een contactmoment is (dag of dagdeel) en op welke locatie ( [plaats 2] , [plaats 1] ). Dit wordt besproken met de GI. De GI communiceert het met de andere partijen;
- het is van belang dat [minderjarige] het gewone, dagelijkse leven bij de ouders gaat ervaren;
- in het een-na-laatste weekend van de zomervakantie van [minderjarige] (regio Zuid Nederland) zal [minderjarige] één nacht overnachten bij de ouders en in de herfstvakantie zal [minderjarige] twee nachten overnachten bij de ouders, mits hij daar aan toe is en hij dat ook zelf wil;
- [minderjarige] moet de ruimte ervaren om te allen tijde op de rem te kunnen trappen en zijn wensen omtrent de omgangsregeling aan kunnen geven, indien nodig in samenspraak met zijn coach [naam] ;
- voor de kerstvakantie 2024 (en in ieder geval voor de nader te plannen mondelinge behandeling bij de kinderrechter) plant de GI een evaluatiemoment met alle partijen. Voor dat evaluatiemoment dient [minderjarige] in de gelegenheid te worden gesteld om zijn mening en wensen kenbaar te maken aan de GI.
4.6
De kinderrechter zal in december 2024 een nadere mondelinge behandeling plannen. Aangezien het zittingsrooster van de rechtbank het niet toelaat om op dit moment een nadere dag en tijdstip te agenderen waarop de mondelinge behandeling zal worden voortgezet, zal de zaak worden aangehouden tot hierna te noemen pro forma datum, waarna de zaak nader zal worden gepland. Tot die datum kunnen partijen eventuele verhinderdata aan de rechtbank doorgeven. De kinderrechter zal dan ook weer een gesprek met [minderjarige] plannen.
4.7
De kinderrechter heeft aan de griffier verzocht om [minderjarige] een brief sturen om hem te informeren over de stappen die zijn besproken. De inhoud van de brief aan [minderjarige] is:
Beste [minderjarige] ,
Op 7 mei 2024 heb jij met de kinderrechter gesproken. In jouw e-mail aan de kinderrechter en tijdens dit gesprek heb jij verteld dat je graag vaker contact wilt hebben met jouw ouders. Zij wonen in [plaats 1] en dat is best ver weg.
Dictum
De kinderrechter:
5.1
houdt de behandeling van de vraag van [minderjarige] , met inachtneming van de stappen zoals beschreven onder overweging 4.5, aan tot dinsdag 3 september 2024 PRO FORMA;
5.2
verzoekt de griffier van de rechtbank om deze zaak uiterlijk op voornoemde pro forma datum, met inachtneming van eventuele verhinderdata van partijen, te plannen op een nader te bepalen mondelinge in december 2024 (voor zover mogelijk bij kinderrechter mr. Van Triest) en partijen tijdig daarvoor op te roepen;
5.3
verzoekt de griffier van de rechtbank om [minderjarige] uit te nodigen voor een kindgesprek met de kinderrechter op een tijdstip vóór de mondelinge behandeling in december 2024;
5.4
behoudt zich verdere iedere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2024 door mr. Van Triest, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Verger-Maas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.