Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-05-15
ECLI:NL:RBZWB:2024:3975
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,696 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer.: 10917184 \ MB VERZ 24-111
CJIB-nummer: 0062 5422 5499 9876
uitspraakdatum: 15 mei 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [plaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. N.G.A. Voorbach (Verkeersboete.nl)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 15 mei 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart op het Piusplein tegenover Kim’s Kroeg op 24 december 2022 om 12.40 uur.
Betrokkene kan zich niet met de beslissing op het administratief beroep verenigen. Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat er sprake is van schending van de hoorplicht door de officier van justitie. Verzocht wordt om het sanctiebedrag te matigen met 25%. Verzocht wordt om een proceskostenvergoeding en deze dient rechtstreeks overgemaakt te worden aan gemachtigde en niet aan betrokkene zoals sinds 1 januari 2024 het geval is.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep deels gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Betrokkene heeft een foto van de betreffende gehandicaptenparkeerkaart meegezonden met het beroepschrift bij de officier van justitie. De zittingsvertegenwoordiger ziet aanleiding de boete daarom te matigen tot € 30,-.
De tekst op de beschikking over de mogelijkheid om gehoord te worden is voldoende duidelijk voor betrokkene, dus er is geen sprake van schending van de hoorplicht.
Overwegingen
Hoorplicht
De gemachtigde stelt dat sprake is van schending van de hoorplicht in de fase van het beroep bij de officier van justitie, waar betrokkene zelf beroep had ingesteld. In de inleidende boetebeschikking is sinds 22 december 2022 onder het kopje “Niet eens met de boete?” onder andere vermeld “Wilt u in een gesprek uitleggen waarom u het niet eens bent met de boete? Geef dan ook uiterlijk [datum] aan dat u gehoord wilt worden.” Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt hieruit voldoende duidelijk wat het recht om te worden gehoord inhoudt en dat betrokkene hiervan gebruik heeft kunnen maken. Van schending van de hoorplicht is daarom geen sprake.
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Dit is ook niet betwist.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant.
De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene zelf heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij is van belang dat betrokkene in de beroepsfase bij de officier van justitie een kopie van zowel de voorkant als de achterkant van de gehandicaptenparkeerkaart heeft toegezonden. Hiermee kan voldoende worden vastgesteld dat er sprake was van een geldige gehandicaptenparkeerkaart ten tijde van de verweten gedraging. De boete zal worden gematigd tot € 30,-.
Matiging tot nihil is niet aan de orde, omdat betrokkene verantwoordelijk is voor het duidelijk zichtbaar neerleggen van de gehandicaptenparkeerkaart in het voertuig.
Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskostenvergoeding
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen, die als volgt is berekend:
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,25 x € 875,- = € 218,75.
Onverbindendheid art. 13a
De gemachtigde heeft verzocht te bepalen dat een proceskostenvergoeding, in afwijking van de Wahv, aan de gemachtigde moet worden overgemaakt. Daartoe is aangevoerd dat artikel 13a, lid 5 van de Wahv (de kantonrechter begrijpt: lid 3 en 4) onverbindend is vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel dan wel het discriminatieverbod, zoals die in internationale verdragen zijn neergelegd, omdat deze maatregel niet is voorzien van een objectieve en redelijke rechtvaardiging.
De kantonrechter stelt voorop dat de uitbetaling op een bankrekening van de betrokkene de uitvoering van een beslissing tot toekenning van proceskostenvergoeding betreft, die rechtstreeks volgt uit de wet. De wijze van uitvoering valt buiten de reikwijdte van de rechterlijke toetsing in deze procedure. Voor een toetsing van de betreffende wetsbepalingen aan het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod is in beginsel dan ook geen plaats.
Dit zou wellicht anders kunnen zijn als een betrokkene door deze wijze van uitbetaling ernstig in zijn of haar belangen zou worden geschaad. Dat is echter gesteld noch gebleken. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan het betoog van de gemachtigde.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 30,-, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 280,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 218,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2024.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: