Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-26
ECLI:NL:RBZWB:2024:393
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,005 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/1171
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en
De heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 1 november 2022. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Tussen partijen is in geschil of het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in verband met het ontbreken van de motivering en of de hoorplicht is geschonden.
3. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank bij brief van 12 juni 2023 laten weten dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden. De uitnodigingen voor het houden van een hoorzitting zijn niet naar het juiste e-mailadres verzonden. Daardoor is belanghebbende ten onrechte niet gehoord. De heffingsambtenaar concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en verzoekt de zaak terug te wijzen naar de heffingsambtenaar om het bezwaar opnieuw in behandeling te nemen.
4. De rechtbank volgt de conclusie van de heffingsambtenaar. Nu het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, moet het beroep kennelijk gegrond worden verklaard en moet de zaak teruggewezen worden naar de heffingsambtenaar om een nieuwe beslissing te nemen.
Proceskostenvergoeding en griffierecht
5. De rechtbank ziet aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. Gelet op de aard van de zaak zal de wegingsfactor 0,5 (licht) worden toegepast.
6. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor juridische bijstand in de beroepsfase vast op € 437,50. Dit bedrag is gebaseerd op toepassing van het tarief dat is vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,5). Voor een vergoeding van kosten voor bezwaar is in dit stadium van de procedure geen plaats, omdat teruggewezen wordt en de bezwaarprocedure nog niet is afgerond.
7. De heffingsambtenaar dient ook op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten ten bedrage van € 437,50;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 aan deze vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 26 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.