Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-06
ECLI:NL:RBZWB:2024:3801
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
873 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/4075
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2024 in het beroep van
[eiser], uit [plaats] (Duitsland), eiser.
Inleiding
Op 16 mei 2024 heeft eiser een beroepschrift ingediend.
Beoordeling
1. Omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is.
2. Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Dit staat in artikel 8:1 van de Awb. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat uitgelegd wat onder een besluit wordt verstaan. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
3. Op 16 mei 2024 heeft eiser een beroepschrift ingediend, omdat eiser het niet eens is met dwangsommen die door rechters (de Ondernemingskamer) aan hem zijn opgelegd. Hij verzoekt de bestuursrechter om de overheid op grond van onder andere artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek te verplichten bedrijven van hem te kopen voor 1 miljard euro. Bij brief van 21 mei 2024 heeft de rechtbank eiser gevraagd tegen welk besluit van een bestuursorgaan hij heeft bedoeld om beroep in te stellen en om een kopie van dat besluit toe te zenden. Op 25 mei 2024 en op 31 mei 2024 heeft eiser – zonder toelichting – per e-mail verschillende stukken ingediend.
4. In de door eiser overgelegde stukken bevindt zich geen besluit in de zin van de Awb. Indien eiser heeft bedoeld om beroep in te stellen tegen een uitspraak van de Ondernemingskamer (onderdeel gerechtshof Amsterdam) merkt de rechtbank op dat dit geen besluit is van een bestuursorgaan. Uit de Awb blijkt namelijk dat rechters geen bestuursorganen zijn. Tegen uitspraken van de Ondernemingskamer kan indien gewenst cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad. Voor een vordering op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek dient eiser zich tot de civiele rechter te wenden.
5. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser dan ook niet is gericht tegen een voor beroep vatbaar besluit in de zin van de Awb. De rechtbank is dan ook kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T Peters , rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, op 6 juni 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Artikel 1:1, tweede lid, van de Awb.