Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-04
ECLI:NL:RBZWB:2024:3748
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,234 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 22/4139, 22/5338 tot en met 22/5340, 23/199, 23/756, 23/1325 en 23/2376
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2024 op de verzetten van
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [naam] ),
tegen de uitspraken van de rechtbank van 17 november 2023 en 12 januari 2024 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de belastingdienst
Inleiding
1. Deze uitspraak op de verzetten van belanghebbende gaat over de uitspraken van de rechtbank van 17 november 2023 en 12 januari 2024 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende ongegrond heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft de verzetten op 21 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraken van 17 november 2023 en 12 januari 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van verzet.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verzetten gegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De beroepen van belanghebbende
4. De beroepen van belanghebbende gingen over de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De uitspraken van 17 november 2023 en 12 januari 2024
5. De rechtbank heeft in de beroepszaken uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Het Unierecht staat daaraan niet in de weg. Hetgeen belanghebbende in zijn pleitnota aanvoert omtrent de toetsing van het Unierecht door de Hoge Raad leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
6. De rechtbank heeft de beroepen kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.
Verzet van belanghebbende
7. Belanghebbende betwist in verzet dat de naheffingsaanslagen zijn verzonden op of voor de datum van dagtekening en stelt dat hij de naheffingsaanslagen pas later, namelijk kort voor het indienen van de bezwaarschriften, heeft ontvangen.
8. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij betwisting van (het tijdstip van) de verzending van een stuk het op de weg van de verzender, in dit geval de inspecteur, ligt om aannemelijk te maken op welke datum het stuk is verzonden. Nu belanghebbende (het tijdstip van) de verzending van de naheffingsaanslagen betwist en de inspecteur nog niet de gelegenheid heeft gehad om op de eerst in verzet ingenomen stelling van belanghebbende te reageren, ziet de rechtbank aanleiding om de verzetten gegrond te verklaren teneinde de inspecteur daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen.
Conclusie
9. Uit de beoordeling van de gronden van verzet volgt dat de onder 1 genoemde uitspraken van de rechtbank niet in stand kunnen blijven. De verzetten zijn gegrond. Dat betekent dat de onder 1 genoemde uitspraken vervallen en de rechtbank de onderzoeken in alle zaken hervat in de stand waarin die zich bevonden ten tijde van die uitspraken.
10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de verzetprocedures. Belanghebbende heeft voor het eerst in verzet het tijdstip van verzending van de naheffingsaanslagen betwist, terwijl dat in een veel eerder stadium had gekund. Zowel in de bezwaar- als beroepsfase was er voldoende gelegenheid die stelling in te nemen. Daarom ziet de rechtbank af van het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de verzetprocedures.
11. De rechtbank zal in deze verzetprocedures nog niet beslissen op de verzoeken om immateriëleschadevergoeding. Die verzoeken zullen in het vervolg van de procedures worden beoordeeld.
Dictum
De rechtbank verklaart de verzetten gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 4 juni 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Hoge Raad 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:966.
Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1175.