Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-05-22
ECLI:NL:RBZWB:2024:3707
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
6,236 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/422290 / JE RK 24-868 (spoed)
C/02/422293 / JE RK 24-871 (regulier)
Datum uitspraak: 22 mei 2024
nadere beschikking van de kinderrechter over (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
locatie Etten-Leur,
betreffende
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A. Koop-van Vliet te Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
[de stiefmoeder]
,
hierna te noemen: de stiefmoeder,
wonende te [woonplaats 2] .
1Het (verdere) procesverloop
1.1
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 13 mei 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- het e-mailbericht van de vader van 22 mei 2024.
1.2
Op 22 mei 2024 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- advocaat van de vader, mr. C.A.E.C.J.N. Hooft, als waarnemend advocaat voor mr. Van Kerkhof;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3
Tevens was met bijzondere toestemming van de kinderrechter als toehoorder bij de mondelinge behandeling aanwezig, ambulant hulpverlener van de moeder van [stichting], mevrouw [naam].
1.4
Hoewel daartoe correct opgeroepen zijn de vader en de stiefmoeder niet bij de mondelinge behandeling verschenen. Uit het e-mailbericht van de vader van 22 mei 2024 blijkt dat hij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig zal zijn. De kinderrechter besluit daarop de mondelinge behandeling voort te zetten bij afwezigheid van de vader en de stiefmoeder. De overige betrokkenen hebben hiertegen geen bezwaar.
1.5
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. Hiervan heeft hij gebruik gemaakt op 21 mei 2024.
Feiten
2.1
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2
[minderjarige] woont bij de vader en stiefmoeder.
2.3
Bij beschikking van 10 november 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld. Die maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 3 november 2023, tot 10 november 2024.
2.4
Deze kinderrechter begrijpt dat bij voormelde beschikking van 13 mei 2024 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is verleend bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, met ingang van 13 mei 2024 tot 27 mei 2024. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.5
Op grond van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] bij de moeder met gezag.
3De (resterende) verzoeken
Thans liggen de volgende verzoeken nog ter beoordeling voor:
in de zaak met kenmerk C/02/422290 / JE RK 24-868:
de GI verzoekt [minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, voor de resterende duur van twee weken;
in de zaak met kenmerk C/02/422293 / JE RK 24-871:
daarbij heeft de GI verzocht om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen bij de andere ouder met gezag voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaar verklaring bij voorraad.
4Het (nadere) standpunt van de GI
4.1
Ter toelichting van en in aanvulling op het verzoek is namens de GI bij de mondelinge behandeling, samengevat, nog het volgende aangevoerd. Het spoedverzoek is gedaan omdat de GI bang was dat de vader [minderjarige] bij de moeder op zou komen halen. Daarnaast hebben de vader en de stiefmoeder [minderjarige] eerder thuis opgesloten toen hij naar de moeder wilde gaan. Het verschil met de vorige machtiging tot uithuisplaatsing is dat [minderjarige] nu ook zelf naar de moeder wil. Daar heeft hij, anders dan bij de vader en de stiefmoeder, te maken met structuur en duidelijkheid. Nu [minderjarige] al een tijdje bij zijn moeder verblijft, ziet de GI een ander kind. Met [minderjarige] en de moeder is besproken dat MST zal worden ingezet. Ook wordt daarbij mogelijk [stichting] betrokken. [minderjarige] staat hiervoor open. Belangrijk is dat de overgang naar de moeder goed blijft verlopen en de moeder regie over [minderjarige] kan behouden. [minderjarige] zal daarbij moeten schakelen en de structuur bij en het gezag van de moeder accepteren. Dat de vader zich niet herkent in de woorden van [minderjarige] is niets nieuws. De vader en de stiefmoeder leggen de problemen buiten zichzelf en ontkennen de zorgen. Via MST-Can hoopt de GI meer zicht op de situatie van de vader en stiefmoeder te krijgen. Alle kinderen bij vader geven, los van elkaar, aan dat er zorgen zijn over ruzies thuis. Ook al is [minderjarige] niet meer bij de vader, alsnog zal MST-Can bij de vader en de stiefmoeder worden ingezet. Over hoe de vader het contact met [minderjarige] in de toekomst ziet, is nog geen informatie bekend. De vader zit hoog in zijn emoties en belangrijk is om nu de rust te behouden. Er zijn nog geen stappen in contact(herstel) tussen de vader en [minderjarige] , maar dit zal in de komende periode worden opgepakt. De inzet van het LET (Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming) is nog niet overwogen, maar wellicht wel een optie, afhankelijk van hoe dreigend de jeugdbeschermers de situatie met de vader ervaren.
5Het standpunt van [minderjarige] en de ouders
5.1
[minderjarige] heeft de kinderrechter, samengevat, verteld dat hij bij de vader en de stiefmoeder weg wilde omdat er tussen hen vaak ruzie was. Ook over kleine dingen. [minderjarige] heeft niet het gevoel dat hij hierover met de vader kan praten. [minderjarige] is nu een week bij de moeder en wil niet meer terug naar de vader. Met zijn moeder kan [minderjarige] het goed vinden. Zij begrijpen elkaar beter. In de toekomst zou [minderjarige] het liefst een weekend per twee weken naar zijn vader gaan. Verder hoopt [minderjarige] op een goede toekomst met school en een bijbaan. [minderjarige] staat open voor hulpverlening en MST en hoopt op contactherstel met zijn vader.
5.2
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende aangevoerd. Sinds dat [minderjarige] bij de moeder verblijft voelt hij zich prettig en veilig. [minderjarige] gaat drie dagen in de week naar school en hij heeft gesolliciteerd voor een bijbaantje. [minderjarige] is gemotiveerd om naar school te gaan. De moeder zag vorig jaar een plaatsing van [minderjarige] bij haar niet zitten, omdat [minderjarige] beïnvloed werd door de vader en hij bij de vader geen regels kende. Bovendien wilde [minderjarige] zelf, onder valse beloften, bij de vader blijven. De moeder heeft de situatie toen losgelaten. Bij de vader was [minderjarige] ongelukkig. Tussen de ouders is er geen contact. De moeder is bang voor agressie vanuit de vader. Zij weet niet waartoe hij in staat is. Eerder pleegde hij een aanslag op haar auto. De vader is recent, afgelopen vrijdag, aangehouden omdat hij in een gestolen auto reed. Wat dit strafrechtelijk voor de vader gaat betekenen is nog niet bekend. Daarnaast heeft de moeder zorgen over drugsgebruik bij de vader. De moeder staat achter het verzoek van de GI. Aan de wettelijke criteria is voldaan. In de komende periode moet overwogen worden om het LET bij de casus te betrekken.
5.3
In het kader van de pilot kosteloze rechtsbijstand bij een verzoek tot spoeduithuisplaatsing is aan de vader een advocaat toegevoegd. Mr. Hooft verklaart dat haar kantoor geen contact met de vader heeft kunnen krijgen en zij zich om de reden niet gemachtigd voelt om namens de vader een standpunt naar voren te brengen.
5.4
In zijn e-mailbericht van 22 mei 2024 laat de vader de kinderrechter, samengevat, weten dat als het de keuze van [minderjarige] is om bij zijn moeder te gaan te wonen, de vader daar volledig achter staat. De vader zal [minderjarige] hierin niet tegenhouden. De uitspraken van [minderjarige] bestempelt de vader als negatief en leugenachtig. De vader vindt het jammer dat hij [minderjarige] niet meer heeft gesproken en ook geen afscheid van hem heeft kunnen nemen. De vader is hierdoor erg van slag. Volgens de vader staat zijn deur altijd voor [minderjarige] open.
6De (nadere) beoordeling
Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
6.1
Bij voormelde beschikking van 13 mei 2024 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend tot 27 mei 2024, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De GI en de belanghebbenden zijn thans door de kinderrechter gehoord. Uit de overgelegde stukken en hetgeen bij de mondelinge behandeling is besproken, zijn de kinderrechter geen nieuwe feiten en/of omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een ander oordeel dan reeds is verwoord in de voornoemde beschikking. Nu de kinderrechter zal beslissen op het reguliere verzoek, zal zij het resterende deel van het verzoek om een spoedmachtiging te verlenen, afwijzen.
Resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing
6.2
Op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.3
Voor wat betreft het resterende deel van het verzoek overweegt de kinderrechter als volgt.
Dictum
De kinderrechter:
in de zaak met kenmerk C/02/422290 / JE RK 24-868:
wijst het resterende deel van het verzoek af;
in de zaak met kenmerk C/02/422293 / JE RK 24-871:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, met ingang van 27 mei 2024 tot 10 november 2024;
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2024 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 4 juni 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof's-Hertogenbosch
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/422290 / JE RK 24-868 (spoed)
C/02/422293 / JE RK 24-871 (regulier)
Datum uitspraak: 22 mei 2024
nadere beschikking van de kinderrechter over (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
locatie Etten-Leur,
betreffende
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A. Koop-van Vliet te Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
[de stiefmoeder]
,
hierna te noemen: de stiefmoeder,
wonende te [woonplaats 2] .
1Het (verdere) procesverloop
1.1
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 13 mei 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- het e-mailbericht van de vader van 22 mei 2024.
1.2
Op 22 mei 2024 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- advocaat van de vader, mr. C.A.E.C.J.N. Hooft, als waarnemend advocaat voor mr. Van Kerkhof;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3
Tevens was met bijzondere toestemming van de kinderrechter als toehoorder bij de mondelinge behandeling aanwezig, ambulant hulpverlener van de moeder van [stichting], mevrouw [naam].
1.4
Hoewel daartoe correct opgeroepen zijn de vader en de stiefmoeder niet bij de mondelinge behandeling verschenen. Uit het e-mailbericht van de vader van 22 mei 2024 blijkt dat hij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig zal zijn. De kinderrechter besluit daarop de mondelinge behandeling voort te zetten bij afwezigheid van de vader en de stiefmoeder. De overige betrokkenen hebben hiertegen geen bezwaar.
1.5
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. Hiervan heeft hij gebruik gemaakt op 21 mei 2024.
Feiten
2.1
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2
[minderjarige] woont bij de vader en stiefmoeder.
2.3
Bij beschikking van 10 november 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld. Die maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 3 november 2023, tot 10 november 2024.
2.4
Deze kinderrechter begrijpt dat bij voormelde beschikking van 13 mei 2024 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is verleend bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, met ingang van 13 mei 2024 tot 27 mei 2024. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.5
Op grond van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] bij de moeder met gezag.
3De (resterende) verzoeken
Thans liggen de volgende verzoeken nog ter beoordeling voor:
in de zaak met kenmerk C/02/422290 / JE RK 24-868:
de GI verzoekt [minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, voor de resterende duur van twee weken;
in de zaak met kenmerk C/02/422293 / JE RK 24-871:
daarbij heeft de GI verzocht om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen bij de andere ouder met gezag voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaar verklaring bij voorraad.
4Het (nadere) standpunt van de GI
4.1
Ter toelichting van en in aanvulling op het verzoek is namens de GI bij de mondelinge behandeling, samengevat, nog het volgende aangevoerd. Het spoedverzoek is gedaan omdat de GI bang was dat de vader [minderjarige] bij de moeder op zou komen halen. Daarnaast hebben de vader en de stiefmoeder [minderjarige] eerder thuis opgesloten toen hij naar de moeder wilde gaan. Het verschil met de vorige machtiging tot uithuisplaatsing is dat [minderjarige] nu ook zelf naar de moeder wil. Daar heeft hij, anders dan bij de vader en de stiefmoeder, te maken met structuur en duidelijkheid. Nu [minderjarige] al een tijdje bij zijn moeder verblijft, ziet de GI een ander kind. Met [minderjarige] en de moeder is besproken dat MST zal worden ingezet. Ook wordt daarbij mogelijk [stichting] betrokken. [minderjarige] staat hiervoor open. Belangrijk is dat de overgang naar de moeder goed blijft verlopen en de moeder regie over [minderjarige] kan behouden. [minderjarige] zal daarbij moeten schakelen en de structuur bij en het gezag van de moeder accepteren. Dat de vader zich niet herkent in de woorden van [minderjarige] is niets nieuws. De vader en de stiefmoeder leggen de problemen buiten zichzelf en ontkennen de zorgen. Via MST-Can hoopt de GI meer zicht op de situatie van de vader en stiefmoeder te krijgen. Alle kinderen bij vader geven, los van elkaar, aan dat er zorgen zijn over ruzies thuis. Ook al is [minderjarige] niet meer bij de vader, alsnog zal MST-Can bij de vader en de stiefmoeder worden ingezet. Over hoe de vader het contact met [minderjarige] in de toekomst ziet, is nog geen informatie bekend. De vader zit hoog in zijn emoties en belangrijk is om nu de rust te behouden. Er zijn nog geen stappen in contact(herstel) tussen de vader en [minderjarige] , maar dit zal in de komende periode worden opgepakt. De inzet van het LET (Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming) is nog niet overwogen, maar wellicht wel een optie, afhankelijk van hoe dreigend de jeugdbeschermers de situatie met de vader ervaren.
5Het standpunt van [minderjarige] en de ouders
5.1
[minderjarige] heeft de kinderrechter, samengevat, verteld dat hij bij de vader en de stiefmoeder weg wilde omdat er tussen hen vaak ruzie was. Ook over kleine dingen. [minderjarige] heeft niet het gevoel dat hij hierover met de vader kan praten. [minderjarige] is nu een week bij de moeder en wil niet meer terug naar de vader. Met zijn moeder kan [minderjarige] het goed vinden. Zij begrijpen elkaar beter. In de toekomst zou [minderjarige] het liefst een weekend per twee weken naar zijn vader gaan. Verder hoopt [minderjarige] op een goede toekomst met school en een bijbaan. [minderjarige] staat open voor hulpverlening en MST en hoopt op contactherstel met zijn vader.
5.2
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende aangevoerd. Sinds dat [minderjarige] bij de moeder verblijft voelt hij zich prettig en veilig. [minderjarige] gaat drie dagen in de week naar school en hij heeft gesolliciteerd voor een bijbaantje. [minderjarige] is gemotiveerd om naar school te gaan. De moeder zag vorig jaar een plaatsing van [minderjarige] bij haar niet zitten, omdat [minderjarige] beïnvloed werd door de vader en hij bij de vader geen regels kende. Bovendien wilde [minderjarige] zelf, onder valse beloften, bij de vader blijven. De moeder heeft de situatie toen losgelaten. Bij de vader was [minderjarige] ongelukkig. Tussen de ouders is er geen contact. De moeder is bang voor agressie vanuit de vader. Zij weet niet waartoe hij in staat is. Eerder pleegde hij een aanslag op haar auto. De vader is recent, afgelopen vrijdag, aangehouden omdat hij in een gestolen auto reed. Wat dit strafrechtelijk voor de vader gaat betekenen is nog niet bekend. Daarnaast heeft de moeder zorgen over drugsgebruik bij de vader. De moeder staat achter het verzoek van de GI. Aan de wettelijke criteria is voldaan. In de komende periode moet overwogen worden om het LET bij de casus te betrekken.
5.3
In het kader van de pilot kosteloze rechtsbijstand bij een verzoek tot spoeduithuisplaatsing is aan de vader een advocaat toegevoegd. Mr. Hooft verklaart dat haar kantoor geen contact met de vader heeft kunnen krijgen en zij zich om de reden niet gemachtigd voelt om namens de vader een standpunt naar voren te brengen.
5.4
In zijn e-mailbericht van 22 mei 2024 laat de vader de kinderrechter, samengevat, weten dat als het de keuze van [minderjarige] is om bij zijn moeder te gaan te wonen, de vader daar volledig achter staat. De vader zal [minderjarige] hierin niet tegenhouden. De uitspraken van [minderjarige] bestempelt de vader als negatief en leugenachtig. De vader vindt het jammer dat hij [minderjarige] niet meer heeft gesproken en ook geen afscheid van hem heeft kunnen nemen. De vader is hierdoor erg van slag. Volgens de vader staat zijn deur altijd voor [minderjarige] open.
6De (nadere) beoordeling
Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
6.1
Bij voormelde beschikking van 13 mei 2024 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend tot 27 mei 2024, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De GI en de belanghebbenden zijn thans door de kinderrechter gehoord. Uit de overgelegde stukken en hetgeen bij de mondelinge behandeling is besproken, zijn de kinderrechter geen nieuwe feiten en/of omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een ander oordeel dan reeds is verwoord in de voornoemde beschikking. Nu de kinderrechter zal beslissen op het reguliere verzoek, zal zij het resterende deel van het verzoek om een spoedmachtiging te verlenen, afwijzen.
Resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing
6.2
Op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.3
Voor wat betreft het resterende deel van het verzoek overweegt de kinderrechter als volgt.
Dictum
De kinderrechter:
in de zaak met kenmerk C/02/422290 / JE RK 24-868:
wijst het resterende deel van het verzoek af;
in de zaak met kenmerk C/02/422293 / JE RK 24-871:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, met ingang van 27 mei 2024 tot 10 november 2024;
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2024 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 4 juni 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof's-Hertogenbosch