Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-25
ECLI:NL:RBZWB:2024:348
Strafrecht
Op tegenspraak
16,078 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/182610-22; 02/307989-21 (tul)
vonnis van de meervoudige kamer van 25 januari 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1962 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsvrouw mr. P.D.M. van Oers, advocaat te Roosendaal.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 januari 2024, waarbij de officier van justitie, mr. I.M.H. Masselink, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. Tevens is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) behandeld.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich:
feit 1: op 1 juni 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] ( [functie 1] gemeente Breda ), [benadeelde 4] ( [functie 2] gemeente Breda ) en andere medewerkers van de gemeente Breda via een derde;
feit 2: op 12 juli 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 5] ( [functie 3] gemeente Breda ), [benadeelde 4] ( [functie 2] gemeente Breda ), buitengewoon opsporingsambtenaren, andere medewerkers van de gemeente Breda en [benadeelde 1] (verbalisant bij de politie Zeeland-West-Brabant);
feit 3: op 26 december 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 6] en [benadeelde 7] ;
feit 4: in de periode van 26 tot en met 27 december 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 1] (inspecteur van politie) via een derde;
feit 5: in de periode van 26 tot en met 28 december 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 3] ( [functie 1] gemeente Breda ) via een derde.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht op grond van het dossier de vijf ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de vijf ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 zijn de uitlatingen door verdachte gedaan in een emotionele ontlading en een verzuchting van frustratie en emotionele en psychische onmacht en de uitlatingen zijn niet geëigend om vrees te doen aanjagen. Het dossier bevat daarnaast onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van feit 3 te komen. Ten aanzien van de feiten 4 en 5 ontbreekt het opzet van verdachte, ook in voorwaardelijke zin, op de kennisneming van de bedreiging door de bedreigde.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich op verschillende momenten tussen 1 juni 2022 en 28 december 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging, al dan niet op indirecte wijze, van onder andere de [functie 1] , medewerkers van de gemeente en de politie, zijn buren, zijn dochter en zijn ex-vrouw.
Wettelijk kader
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor veroordeling ter zake van bedreiging vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. De opzet van verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, dient op beide elementen te zijn gericht. Het is niet vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat werkelijk vrees is opgewekt. Wel moet de bedreiging van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kon opwekken.
Feiten
De rechtbank stelt vast dat jarenlang meldingen tegen verdachte zijn gedaan van overlast vanuit en rondom zijn woning, gelegen aan de [woonadres] . Er zijn diverse (bestuurlijke) trajecten in gang gezet om deze overlastmeldingen aan te pakken en op te lossen. Hierbij is samengewerkt met diverse instanties, waaronder de politie, de gemeente Breda, de [functie 1] van de gemeente Breda en buitengewoon opsporingsambtenaren. In dat kader werden de gedragingen en uitlatingen van verdachte opgeschreven en gedocumenteerd. Er was dan ook sprake van een gespannen verhouding tussen verdachte en deze instanties. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat voor hem de [functie 1] [benadeelde 3] (hierna: [benadeelde 3] ) en de personen werkzaam bij de politie en de gemeente Breda “één pot nat” zijn en dat al deze personen zich tegen hem richten.
Feit 1
Verdachte wordt verweten dat hij op 1 juni 2022 [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ), [benadeelde 3] ( [functie 1] gemeente Breda ), [benadeelde 4] ( [functie 2] gemeente Breda ) (hierna: [benadeelde 4] ) en andere medewerkers van de gemeente Breda heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling door de ten laste gelegde woorden te uiten tegen dienstdoende verbalisanten. Dit zou verdachte hebben gedaan nadat hij ter beoordeling door de GGZ was meegenomen in een ambulance.
Op de bodycambeelden van de verbalisanten is te horen dat verdachte de ten laste gelegde woorden heeft geuit over de [functie 1] [benadeelde 3] , zijn buren en medewerkers van de gemeente Breda. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het zou kunnen dat hij deze woorden heeft gezegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat vastgesteld kan worden dat verdachte de ten laste gelegde woorden heeft geuit.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of deze woorden een strafrechtelijke bedreiging opleveren. De rechtbank is van oordeel dat door de verdachte gedane uitlatingen bij de bedreigden de redelijke vrees konden doen ontstaan dat zij het leven zouden verliezen, dan wel zwaar zouden worden mishandeld. Daarbij neemt de rechtbank in beschouwing de inhoud van de uitlatingen in combinatie met de omstandigheid dat deze uitlatingen zijn gericht tegen de [functie 1] [benadeelde 3] en de gemeente, met wie verdachte een jarenlange gespannen verhouding heeft, zoals hierboven onder het kopje ‘Vaststaande feiten en omstandigheden’ geschetst. Daarbij komt dat [benadeelde 3] en medewerkers van de gemeente Breda hebben verklaard dat bij hen ook daadwerkelijk vrees is opgewekt.
Verdachte heeft de bedreigende woorden geuit tegenover de dienstdoende verbalisanten. Het gaat aldus om indirecte bedreigingen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en de medewerkers van de gemeente door de verbalisanten op de hoogte zouden worden gesteld van de bedreigende woorden. Daartoe is allereerst van belang de inhoud van de gebezigde woorden en de reële dreiging die daarvan uitgaat. Daarbij weegt de rechtbank ook mee de omstandigheid dat verdachte heeft verklaard dat hij de personen werkzaam bij de politie en de gemeente ziet als een eenheid, waaruit de rechtbank afleidt dat verdachte ervan uitging dat mededelingen aan een van die personen anderen zouden bereiken. Verdachte was er bovendien van op de hoogte dat zijn uitlatingen werden genoteerd en besproken in het kader van de samenwerking tussen de instanties om de overlastmeldingen jegens verdachte aan te pakken. Dit alles maakt dat sprake is van voorwaardelijk opzet.
Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, ten aanzien van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en medewerkers van de gemeente Breda. Zij zal verdachte partieel vrijspreken ten aanzien van [benadeelde 4] , nu de bedreigingen niet op hem zien.
Feit 2
Verdachte wordt verweten dat hij op 12 juli 2022 [benadeelde 5] ( [functie 3] gemeente Breda ), [benadeelde 4] ( [functie 2] gemeente Breda ), buitengewoon opsporingsambtenaren, andere medewerkers van de gemeente Breda en [benadeelde 1] (verbalisant bij de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling door dreigend de woorden te uiten: "De
Gemeente! ... die maak ik dood!" en/of "Ik weet waar jij woont".
De rechtbank stelt vast dat verdachte de woorden “De Gemeente, die maak ik dood!” heeft geuit en daarbij duidelijk heeft gewezen in de richting van twee buitengewoon opsporingsambtenaren. Ook kan worden vastgesteld dat verdachte tegen [benadeelde 1] de woorden “Ik weet waar je woont” heeft geuit, terwijl verdachte naar hem wees. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat laatstgenoemde woorden enkel waren bedoeld voor de burgemeester en niet voor [benadeelde 1] . De rechtbank oordeelt dit irrelevant nu verdachte tijdens het uiten van deze woorden heeft gewezen naar [benadeelde 1] zodat laatstgenoemde er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de bedreiging (mede) aan zijn adres was gericht.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of deze woorden een strafrechtelijke bedreiging opleveren. De rechtbank is van oordeel dat door de verdachte gedane uitlatingen bij de bedreigden de redelijke vrees konden doen ontstaan dat zij het leven zouden verliezen, dan wel zwaar zouden worden mishandeld. Dit gelet op de inhoud van de uitlatingen in combinatie met de omstandigheid dat deze uitlatingen zijn gericht tegen de buitengewoon opsporingsambtenaren en verbalisant [benadeelde 1] , met wie verdachte een jarenlange gespannen verhouding heeft. Ook de context waarin de woorden zijn geuit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan. Verdachte heeft de woorden namelijk geuit tijdens een hoorzitting op het stadskantoor van de gemeente Breda in het kader van een overlastcasus van verdachte. Bovendien heeft verdachte daarbij naar de bedreigden gewezen en heeft [benadeelde 1] verklaard dat bij hem ook daadwerkelijk de vrees is opgewekt.
Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
Verdachte wordt verweten dat hij op 26 december 2022 zijn dochter [benadeelde 6] (hierna: [benadeelde 6] ) heeft bedreigd met woorden en met een mes en een knuppel en zijn ex-vrouw [benadeelde 7] (hierna: [benadeelde 7] ) heeft bedreigd met woorden en met een mes.
Door de verdediging is bepleit dat zijn dochter [benadeelde 6] heeft aangegeven dat zij de aangifte heeft gedaan uit een wanhoopspoging. Zij zou zich zorgen hebben gemaakt om haar vader en zou niet hebben geweten hoe zij haar vader op een andere manier kon helpen. Met dit verweer is de juistheid van de aangifte niet betwist. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die aangifte en zal deze als bewijsmiddel bezigen.
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangiftes van [benadeelde 6] en [benadeelde 7] .
Feit 4
Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 26 tot en met 27 december 2022 [benadeelde 1] (inspecteur van de politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door ten overstaan van [benadeelde 7] , [benadeelde 6] en [benadeelde 8] (hierna: [benadeelde 8] ) de woorden te uiten: "dat hij weet dat hij [benadeelde 1] niet kan pakken maar zijn twee kinderen van 6 en 8 dood zou schieten om die [benadeelde 1] te straffen en zo te laten lijden".
Beoordeling
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in een periode van ongeveer zeven maanden tijd schuldig gemaakt aan verschillende bedreigingen van onder meer zijn dochter, zijn ex-vrouw, zijn buren, [functie 1] [benadeelde 3] en verbalisant [benadeelde 1] . Het betreffen zowel directe bedreigingen met een mes en een knuppel, als indirecte bedreigingen waarbij de bedreigingen door de aangevers te horen waren op beeld dan wel telefonisch aan hen zijn doorgegeven. De aangevers waren in de veronderstelling dat verdachte deze bedreigingen daadwerkelijk ten uitvoer zou brengen. Gebleken is dat de uitspraken zijn gedaan in het kader van een jarenlange gespannen verhouding tussen verdachte en verschillende instanties, waaronder de gemeente en de politie. Dit terwijl [benadeelde 3] en [benadeelde 1] het beste met verdachte voor hadden en enkel bezig waren met de uitoefening van hun functie. Ook zijn dochter had het beste met haar vader voor en wilde hem helpen.
Verdachte heeft door zijn handelen de grenzen van alle aangevers ernstig overschreden en op indringende wijze een ernstige inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer. Verdachte heeft met zijn gedragingen hevige gevoelens van onrust en angst veroorzaakt, hetgeen onder meer blijkt uit de aangiftes en uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 1] . Ook blijkt uit deze toelichting dat [benadeelde 1] na de bedreigingen de nodige veiligheidsmaatregelen heeft moeten treffen, waaronder vrijheidsbeperkende maatregelen voor hem en zijn gezin.
De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij met zijn handelen geheel voorbij is gegaan aan de gevoelens van en de gevolgen voor de aangevers en slechts oog heeft gehad voor zichzelf en het uiten van zijn eigen gevoelens.
De persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. In de afgelopen vijf jaar is verdachte vaker veroordeeld voor bedreiging, waardoor sprake is van herhaling . Bovendien blijkt dat de feiten zijn gepleegd terwijl verdachte in een proeftijd liep.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank verder acht geslagen op het rapport van [psycholoog] van 7 juni 2023. Dit rapport ziet op de feiten gepleegd in de periode van 26 december 2022 tot en met 27 december 2022 (feiten 3, 4 en 5). Uit dit rapport volgt dat bij verdachte sprake is van een depressieve stoornis, een stoornis in het alcoholgebruik en van een vermijdende persoonlijkheidsstoornis. Van deze psychische problematiek was ook sprake ten tijde van deze feiten. Geadviseerd wordt om de feiten 3, 4, en 5 in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De kans op gewelddadige recidive wordt als laag ingeschat. Opgemerkt wordt dat het samengaan van zijn gebrekkige coping, depressieve stoornis en alcoholgebruik kan leiden tot agressief gedrag. In dat geval wordt de kans op herhaling als matig verhoogd ingeschat. Om het recidiverisico te verminderen wordt geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarde het volgen van een behandeling gericht op zijn alcoholgebruik en agressieregulatieproblemen.
De rechtbank neemt voornoemde conclusie over en stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten gepleegd in de periode van 26 december 2022 tot en met 27 december 2022 (feiten 3, 4 en 5) verminderd aan verdachte worden toegerekend.
Gelet op de bij verdachte geconstateerde ziekelijke stoornis en de omstandigheid dat verdachte al langere tijd bekend is met psychiatrische problematiek, neemt de rechtbank voornoemde conclusie van de psycholoog ook over voor de bewezenverklaarde feiten gepleegd op 1 juni 2022 en 12 juli 2022 (feiten 1 en 2). Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat deze feiten zich relatief kort voor de feiten van 26 en 27 december 2022 hebben voorgedaan. De rechtbank oordeelt dan ook dat de feiten 1 en 2 verminderd aan verdachte worden toegerekend.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 2 januari 2024 dat over verdachte is opgesteld. Hieruit volgt dat verdachte gedurende het huidige reclasseringstoezicht volledig abstinent raakte van alcohol en hij afspraaktrouw was. In eerste instantie leek verdachte niet ontvankelijk voor gedragsbeïnvloeding, maar in de afgelopen maanden is hierin een positieve verandering te zien. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. Geadviseerd wordt het opleggen van een straf zonder bijzondere voorwaarden. Hierbij is in overweging genomen dat in het kader van een andere strafzaak reeds sprake is van reclasseringstoezicht dat loopt tot maart 2025 en dat dit voldoende mogelijkheden biedt om invloed uit te oefenen op het gedrag van verdachte.
De straf
De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden, doch komt tot een voorarrest van 92 dagen in plaats van de 93 dagen die de officier van justitie heeft berekend. Dit betekent dat de rechtbank tot de volgende straf komt: een gevangenisstraf van 142 dagen, waarvan 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast dient verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren te verrichten. Verder verbindt de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel de volgende bijzondere voorwaarden: de meldplicht en het volgen van ambulante behandeling. Zij zal de reclassering daarnaast opdragen toezicht op deze voorwaarden te houden.
Ten aanzien van de bijzondere voorwaarde inhoudende ambulante behandeling overweegt de rechtbank dat verdachte weliswaar ter zitting heeft verklaard dat hij zelf zonder hulp is gestopt met het drinken van alcohol nadat hij uit de gevangenis is gekomen, doch dat zij het van groot belang vindt dat verdachte hulp krijgt om dit ook gedurende langere periode vol te houden. Deze omstandigheid in combinatie met de ernst van de feiten en de impact daarvan, maken dat de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel met bovengenoemde bijzondere voorwaarden als stok achter de deur noodzakelijk acht.
7De benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 600,00 aan immateriële schade voor de feiten 2 en 4.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
[benadeelde 1] heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Als gevolg van de bedreigingen van verdachte zijn voor hem en zijn gezin veiligheidsmaatregelen getroffen, waardoor zij beperkt werden in hun vrijheid. Dit heeft een negatief effect gehad op zijn gemoedstoestand. Hij sliep slecht en was extra prikkelbaar.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 BW, zodat recht bestaat om vergoeding van immaterieel nadeel. De rechtbank acht de vergoeding door verdachte van een bedrag van € 600,00 billijk, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2022. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank zal met betrekking tot het toegekende bedrag van de vordering de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling,
meermalen gepleegd;
feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 5: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 142 dagen, waarvan 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich meldt binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij de reclassering van Novadic Kentron op het adres Korte Raamstraat 3, 4814 CJ Breda;
* dat verdachte zich laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 14 februari 2022 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02/307989-21 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 20 uur taakstraf;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 600,00, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2022 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 1] (feiten 2 en 4) € 600,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2022 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 12 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, mr. L.W. Louwerse en
mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 januari 2024.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/182610-22; 02/307989-21 (tul)
vonnis van de meervoudige kamer van 25 januari 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1962 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsvrouw mr. P.D.M. van Oers, advocaat te Roosendaal.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 januari 2024, waarbij de officier van justitie, mr. I.M.H. Masselink, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. Tevens is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) behandeld.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich:
feit 1: op 1 juni 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] ( [functie 1] gemeente Breda ), [benadeelde 4] ( [functie 2] gemeente Breda ) en andere medewerkers van de gemeente Breda via een derde;
feit 2: op 12 juli 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 5] ( [functie 3] gemeente Breda ), [benadeelde 4] ( [functie 2] gemeente Breda ), buitengewoon opsporingsambtenaren, andere medewerkers van de gemeente Breda en [benadeelde 1] (verbalisant bij de politie Zeeland-West-Brabant);
feit 3: op 26 december 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 6] en [benadeelde 7] ;
feit 4: in de periode van 26 tot en met 27 december 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 1] (inspecteur van politie) via een derde;
feit 5: in de periode van 26 tot en met 28 december 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 3] ( [functie 1] gemeente Breda ) via een derde.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht op grond van het dossier de vijf ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de vijf ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 zijn de uitlatingen door verdachte gedaan in een emotionele ontlading en een verzuchting van frustratie en emotionele en psychische onmacht en de uitlatingen zijn niet geëigend om vrees te doen aanjagen. Het dossier bevat daarnaast onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van feit 3 te komen. Ten aanzien van de feiten 4 en 5 ontbreekt het opzet van verdachte, ook in voorwaardelijke zin, op de kennisneming van de bedreiging door de bedreigde.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich op verschillende momenten tussen 1 juni 2022 en 28 december 2022 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging, al dan niet op indirecte wijze, van onder andere de [functie 1] , medewerkers van de gemeente en de politie, zijn buren, zijn dochter en zijn ex-vrouw.
Wettelijk kader
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor veroordeling ter zake van bedreiging vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. De opzet van verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, dient op beide elementen te zijn gericht. Het is niet vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat werkelijk vrees is opgewekt. Wel moet de bedreiging van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kon opwekken.
Feiten
De rechtbank stelt vast dat jarenlang meldingen tegen verdachte zijn gedaan van overlast vanuit en rondom zijn woning, gelegen aan de [woonadres] . Er zijn diverse (bestuurlijke) trajecten in gang gezet om deze overlastmeldingen aan te pakken en op te lossen. Hierbij is samengewerkt met diverse instanties, waaronder de politie, de gemeente Breda, de [functie 1] van de gemeente Breda en buitengewoon opsporingsambtenaren. In dat kader werden de gedragingen en uitlatingen van verdachte opgeschreven en gedocumenteerd. Er was dan ook sprake van een gespannen verhouding tussen verdachte en deze instanties. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat voor hem de [functie 1] [benadeelde 3] (hierna: [benadeelde 3] ) en de personen werkzaam bij de politie en de gemeente Breda “één pot nat” zijn en dat al deze personen zich tegen hem richten.
Feit 1
Verdachte wordt verweten dat hij op 1 juni 2022 [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ), [benadeelde 3] ( [functie 1] gemeente Breda ), [benadeelde 4] ( [functie 2] gemeente Breda ) (hierna: [benadeelde 4] ) en andere medewerkers van de gemeente Breda heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling door de ten laste gelegde woorden te uiten tegen dienstdoende verbalisanten. Dit zou verdachte hebben gedaan nadat hij ter beoordeling door de GGZ was meegenomen in een ambulance.
Op de bodycambeelden van de verbalisanten is te horen dat verdachte de ten laste gelegde woorden heeft geuit over de [functie 1] [benadeelde 3] , zijn buren en medewerkers van de gemeente Breda. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het zou kunnen dat hij deze woorden heeft gezegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat vastgesteld kan worden dat verdachte de ten laste gelegde woorden heeft geuit.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of deze woorden een strafrechtelijke bedreiging opleveren. De rechtbank is van oordeel dat door de verdachte gedane uitlatingen bij de bedreigden de redelijke vrees konden doen ontstaan dat zij het leven zouden verliezen, dan wel zwaar zouden worden mishandeld. Daarbij neemt de rechtbank in beschouwing de inhoud van de uitlatingen in combinatie met de omstandigheid dat deze uitlatingen zijn gericht tegen de [functie 1] [benadeelde 3] en de gemeente, met wie verdachte een jarenlange gespannen verhouding heeft, zoals hierboven onder het kopje ‘Vaststaande feiten en omstandigheden’ geschetst. Daarbij komt dat [benadeelde 3] en medewerkers van de gemeente Breda hebben verklaard dat bij hen ook daadwerkelijk vrees is opgewekt.
Verdachte heeft de bedreigende woorden geuit tegenover de dienstdoende verbalisanten. Het gaat aldus om indirecte bedreigingen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en de medewerkers van de gemeente door de verbalisanten op de hoogte zouden worden gesteld van de bedreigende woorden. Daartoe is allereerst van belang de inhoud van de gebezigde woorden en de reële dreiging die daarvan uitgaat. Daarbij weegt de rechtbank ook mee de omstandigheid dat verdachte heeft verklaard dat hij de personen werkzaam bij de politie en de gemeente ziet als een eenheid, waaruit de rechtbank afleidt dat verdachte ervan uitging dat mededelingen aan een van die personen anderen zouden bereiken. Verdachte was er bovendien van op de hoogte dat zijn uitlatingen werden genoteerd en besproken in het kader van de samenwerking tussen de instanties om de overlastmeldingen jegens verdachte aan te pakken. Dit alles maakt dat sprake is van voorwaardelijk opzet.
Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, ten aanzien van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en medewerkers van de gemeente Breda. Zij zal verdachte partieel vrijspreken ten aanzien van [benadeelde 4] , nu de bedreigingen niet op hem zien.
Feit 2
Verdachte wordt verweten dat hij op 12 juli 2022 [benadeelde 5] ( [functie 3] gemeente Breda ), [benadeelde 4] ( [functie 2] gemeente Breda ), buitengewoon opsporingsambtenaren, andere medewerkers van de gemeente Breda en [benadeelde 1] (verbalisant bij de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling door dreigend de woorden te uiten: "De
Gemeente! ... die maak ik dood!" en/of "Ik weet waar jij woont".
De rechtbank stelt vast dat verdachte de woorden “De Gemeente, die maak ik dood!” heeft geuit en daarbij duidelijk heeft gewezen in de richting van twee buitengewoon opsporingsambtenaren. Ook kan worden vastgesteld dat verdachte tegen [benadeelde 1] de woorden “Ik weet waar je woont” heeft geuit, terwijl verdachte naar hem wees. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat laatstgenoemde woorden enkel waren bedoeld voor de burgemeester en niet voor [benadeelde 1] . De rechtbank oordeelt dit irrelevant nu verdachte tijdens het uiten van deze woorden heeft gewezen naar [benadeelde 1] zodat laatstgenoemde er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de bedreiging (mede) aan zijn adres was gericht.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of deze woorden een strafrechtelijke bedreiging opleveren. De rechtbank is van oordeel dat door de verdachte gedane uitlatingen bij de bedreigden de redelijke vrees konden doen ontstaan dat zij het leven zouden verliezen, dan wel zwaar zouden worden mishandeld. Dit gelet op de inhoud van de uitlatingen in combinatie met de omstandigheid dat deze uitlatingen zijn gericht tegen de buitengewoon opsporingsambtenaren en verbalisant [benadeelde 1] , met wie verdachte een jarenlange gespannen verhouding heeft. Ook de context waarin de woorden zijn geuit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan. Verdachte heeft de woorden namelijk geuit tijdens een hoorzitting op het stadskantoor van de gemeente Breda in het kader van een overlastcasus van verdachte. Bovendien heeft verdachte daarbij naar de bedreigden gewezen en heeft [benadeelde 1] verklaard dat bij hem ook daadwerkelijk de vrees is opgewekt.
Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
Verdachte wordt verweten dat hij op 26 december 2022 zijn dochter [benadeelde 6] (hierna: [benadeelde 6] ) heeft bedreigd met woorden en met een mes en een knuppel en zijn ex-vrouw [benadeelde 7] (hierna: [benadeelde 7] ) heeft bedreigd met woorden en met een mes.
Door de verdediging is bepleit dat zijn dochter [benadeelde 6] heeft aangegeven dat zij de aangifte heeft gedaan uit een wanhoopspoging. Zij zou zich zorgen hebben gemaakt om haar vader en zou niet hebben geweten hoe zij haar vader op een andere manier kon helpen. Met dit verweer is de juistheid van de aangifte niet betwist. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die aangifte en zal deze als bewijsmiddel bezigen.
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangiftes van [benadeelde 6] en [benadeelde 7] .
Feit 4
Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 26 tot en met 27 december 2022 [benadeelde 1] (inspecteur van de politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door ten overstaan van [benadeelde 7] , [benadeelde 6] en [benadeelde 8] (hierna: [benadeelde 8] ) de woorden te uiten: "dat hij weet dat hij [benadeelde 1] niet kan pakken maar zijn twee kinderen van 6 en 8 dood zou schieten om die [benadeelde 1] te straffen en zo te laten lijden".
Beoordeling
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in een periode van ongeveer zeven maanden tijd schuldig gemaakt aan verschillende bedreigingen van onder meer zijn dochter, zijn ex-vrouw, zijn buren, [functie 1] [benadeelde 3] en verbalisant [benadeelde 1] . Het betreffen zowel directe bedreigingen met een mes en een knuppel, als indirecte bedreigingen waarbij de bedreigingen door de aangevers te horen waren op beeld dan wel telefonisch aan hen zijn doorgegeven. De aangevers waren in de veronderstelling dat verdachte deze bedreigingen daadwerkelijk ten uitvoer zou brengen. Gebleken is dat de uitspraken zijn gedaan in het kader van een jarenlange gespannen verhouding tussen verdachte en verschillende instanties, waaronder de gemeente en de politie. Dit terwijl [benadeelde 3] en [benadeelde 1] het beste met verdachte voor hadden en enkel bezig waren met de uitoefening van hun functie. Ook zijn dochter had het beste met haar vader voor en wilde hem helpen.
Verdachte heeft door zijn handelen de grenzen van alle aangevers ernstig overschreden en op indringende wijze een ernstige inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer. Verdachte heeft met zijn gedragingen hevige gevoelens van onrust en angst veroorzaakt, hetgeen onder meer blijkt uit de aangiftes en uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 1] . Ook blijkt uit deze toelichting dat [benadeelde 1] na de bedreigingen de nodige veiligheidsmaatregelen heeft moeten treffen, waaronder vrijheidsbeperkende maatregelen voor hem en zijn gezin.
De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij met zijn handelen geheel voorbij is gegaan aan de gevoelens van en de gevolgen voor de aangevers en slechts oog heeft gehad voor zichzelf en het uiten van zijn eigen gevoelens.
De persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. In de afgelopen vijf jaar is verdachte vaker veroordeeld voor bedreiging, waardoor sprake is van herhaling . Bovendien blijkt dat de feiten zijn gepleegd terwijl verdachte in een proeftijd liep.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank verder acht geslagen op het rapport van [psycholoog] van 7 juni 2023. Dit rapport ziet op de feiten gepleegd in de periode van 26 december 2022 tot en met 27 december 2022 (feiten 3, 4 en 5). Uit dit rapport volgt dat bij verdachte sprake is van een depressieve stoornis, een stoornis in het alcoholgebruik en van een vermijdende persoonlijkheidsstoornis. Van deze psychische problematiek was ook sprake ten tijde van deze feiten. Geadviseerd wordt om de feiten 3, 4, en 5 in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De kans op gewelddadige recidive wordt als laag ingeschat. Opgemerkt wordt dat het samengaan van zijn gebrekkige coping, depressieve stoornis en alcoholgebruik kan leiden tot agressief gedrag. In dat geval wordt de kans op herhaling als matig verhoogd ingeschat. Om het recidiverisico te verminderen wordt geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarde het volgen van een behandeling gericht op zijn alcoholgebruik en agressieregulatieproblemen.
De rechtbank neemt voornoemde conclusie over en stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten gepleegd in de periode van 26 december 2022 tot en met 27 december 2022 (feiten 3, 4 en 5) verminderd aan verdachte worden toegerekend.
Gelet op de bij verdachte geconstateerde ziekelijke stoornis en de omstandigheid dat verdachte al langere tijd bekend is met psychiatrische problematiek, neemt de rechtbank voornoemde conclusie van de psycholoog ook over voor de bewezenverklaarde feiten gepleegd op 1 juni 2022 en 12 juli 2022 (feiten 1 en 2). Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat deze feiten zich relatief kort voor de feiten van 26 en 27 december 2022 hebben voorgedaan. De rechtbank oordeelt dan ook dat de feiten 1 en 2 verminderd aan verdachte worden toegerekend.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 2 januari 2024 dat over verdachte is opgesteld. Hieruit volgt dat verdachte gedurende het huidige reclasseringstoezicht volledig abstinent raakte van alcohol en hij afspraaktrouw was. In eerste instantie leek verdachte niet ontvankelijk voor gedragsbeïnvloeding, maar in de afgelopen maanden is hierin een positieve verandering te zien. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. Geadviseerd wordt het opleggen van een straf zonder bijzondere voorwaarden. Hierbij is in overweging genomen dat in het kader van een andere strafzaak reeds sprake is van reclasseringstoezicht dat loopt tot maart 2025 en dat dit voldoende mogelijkheden biedt om invloed uit te oefenen op het gedrag van verdachte.
De straf
De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden, doch komt tot een voorarrest van 92 dagen in plaats van de 93 dagen die de officier van justitie heeft berekend. Dit betekent dat de rechtbank tot de volgende straf komt: een gevangenisstraf van 142 dagen, waarvan 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast dient verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren te verrichten. Verder verbindt de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel de volgende bijzondere voorwaarden: de meldplicht en het volgen van ambulante behandeling. Zij zal de reclassering daarnaast opdragen toezicht op deze voorwaarden te houden.
Ten aanzien van de bijzondere voorwaarde inhoudende ambulante behandeling overweegt de rechtbank dat verdachte weliswaar ter zitting heeft verklaard dat hij zelf zonder hulp is gestopt met het drinken van alcohol nadat hij uit de gevangenis is gekomen, doch dat zij het van groot belang vindt dat verdachte hulp krijgt om dit ook gedurende langere periode vol te houden. Deze omstandigheid in combinatie met de ernst van de feiten en de impact daarvan, maken dat de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel met bovengenoemde bijzondere voorwaarden als stok achter de deur noodzakelijk acht.
7De benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 600,00 aan immateriële schade voor de feiten 2 en 4.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
[benadeelde 1] heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Als gevolg van de bedreigingen van verdachte zijn voor hem en zijn gezin veiligheidsmaatregelen getroffen, waardoor zij beperkt werden in hun vrijheid. Dit heeft een negatief effect gehad op zijn gemoedstoestand. Hij sliep slecht en was extra prikkelbaar.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 BW, zodat recht bestaat om vergoeding van immaterieel nadeel. De rechtbank acht de vergoeding door verdachte van een bedrag van € 600,00 billijk, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2022. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank zal met betrekking tot het toegekende bedrag van de vordering de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling,
meermalen gepleegd;
feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 5: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 142 dagen, waarvan 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich meldt binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij de reclassering van Novadic Kentron op het adres Korte Raamstraat 3, 4814 CJ Breda;
* dat verdachte zich laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 14 februari 2022 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02/307989-21 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 20 uur taakstraf;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 600,00, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2022 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 1] (feiten 2 en 4) € 600,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2022 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 12 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, mr. L.W. Louwerse en
mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 januari 2024.
Feiten
Uit de aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat zijn dochter [benadeelde 6] en haar toenmalige vriend [benadeelde 8] hebben gehoord dat verdachte de ten laste gelegde woorden heeft geuit.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of deze woorden een strafrechtelijke bedreiging opleveren. De rechtbank is van oordeel dat door de verdachte gedane uitlatingen bij [benadeelde 1] de redelijke vrees konden doen ontstaan dat hij of zijn kinderen het leven zouden verliezen. Dit gelet op de inhoud van de uitlatingen in combinatie met de omstandigheid dat deze uitlatingen zijn gericht tegen [benadeelde 1] , die werkzaam is bij de politie en met wie verdachte een jarenlange gespannen verhouding heeft. Daarbij komt dat [benadeelde 1] heeft verklaard dat bij hem ook daadwerkelijk de vrees is opgewekt en hij zich bedreigd heeft gevoeld.
Verdachte heeft de bedreigde woorden geuit in zijn eigen woning tegenover [benadeelde 6] en [benadeelde 8] . Het gaat aldus om indirecte bedreigingen. Door de verdediging is in dit verband aangevoerd dat de uitlatingen van verdachte zijn gedaan in besloten kring en dat hij dan ook niet had hoeven verwachten dat deze uitlatingen naar buiten zouden worden gebracht. De rechtbank overweegt dat in beginsel geldt dat een persoon die een uitlating in privésfeer doet er niet op bedacht hoeft te zijn dat deze uitlating derden bereikt. De rechtbank is van oordeel dat in onderhavige zaak door de familieleden van verdachte echter niet werd ervaren dat er sprake was van een besloten kring, dan wel een privésetting, aangezien de dochter van verdachte zelf aangifte heeft gedaan. Bovendien is het ook verdachte geweest die de bewuste avond de politie heeft gebeld en daarmee ook de eventuele beslotenheid’ heeft doorbroken.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde 1] van de bedreigende woorden op de hoogte zou worden gebracht. Dit gelet op de inhoud van de gebezigde woorden en de reële dreiging die daarvan uitgaat. De indirecte bedreiging vond daarnaast gelijktijdig plaats met de directe bedreigingen van verdachte tegen zijn dochter en ex-vrouw, waarbij verdachte een mes en een knuppel heeft gebruikt. Ook heeft verdachte bij de bedreiging genoemd dat hij wist waar [benadeelde 1] woonde en had verdachte in het bijzijn van zijn dochter al eerder bedreigingen geuit jegens [benadeelde 1] . Zijn eigen familie heeft deze indirecte bedreiging onder feit 4 gelet op deze context dan ook (terecht) serieus genomen en heeft dit doorgegeven aan de politie. Dit alles maakt dat bij verdachte sprake is van voorwaardelijk opzet
Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Feit 5
Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 26 tot en met 28 december 2022 [benadeelde 3] ( [functie 1] van de gemeente Breda) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling, door ten overstaan van [benadeelde 7] , [benadeelde 6] en [benadeelde 8] de woorden te uiten: "Ik ga de ouders van [benadeelde 3] iets aan doen en ik weet waar ze wonen".
Uit de aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat [benadeelde 6] heeft gehoord dat verdachte de ten laste gelegde woorden heeft geuit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat vastgesteld kan worden dat verdachte de tenlastegelegde woorden heeft geuit.
De rechtbank komt met een zelfde juridische redenering zoals genoemd onder feit 4 tot het oordeel dat ook onder feit 5 sprake is van een strafrechtelijke bedreiging.
Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het onder 5 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 1 juni 2022 te Breda [benadeelde 2] en [benadeelde 3] ( [functie 1] gemeente Breda ) en medewerkers van de gemeente Breda heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk tegen verbalisanten van de politie Zeeland-West-Brabant verklaard:
- " Nou is het echt oorlog, als je dat maar gelooft. Ik ga niet alleen he, ik neem mijn
vijanden mee. Ik kan overal aankomen. Handgraat 50 euro, AK-47 2000 euro met
15.000 kogels" en
- " Ik ga twee strontbommen maken, dat ken je niet he. Dat is ontlasting van een
mens van 3 maanden ouden, doen ze ergens in, en dan laten ze het binnen
ontploffen. Ze willen mij ook 3 maanden uit huis zetten, dat hebben ze gezegd de
gemeente, omdat mijn honden af en toe blaffen. Ik heb ze gezegd, als ze aan mijn
honden komen of de honden uit huis willen zetten, zijn ze dood. En daarna ikzelf. Ik
ga toch niet zitten. Het zit al in mijn hoofd. Ik kan een overdosis nemen, mezelf
kapotschieten of voor de trein springen. En dan hoop ik dat jullie allemaal mogen
zoeken naar mijn stukjes" en"
- " [benadeelde 3] , de [functie 1] , nooit een foto op Facebook plaatsen waar je woont, met
je hondje in het park. Ik weet waar ze woont. Kutwijf. Nou moet ik me mond
houden he" en
- " Wie aan mijn honden komt, die zijn dood. Dat hebben de buren wel gemerkt. Die
gooide een lege fles bier over de schutting. Ik was net de poep aan het opruimen,
dat hebben ze wel geweten. Als dat een handgraat was geweest, hadden ze een
handgranaat gekregen. Nooit aan mijn honden komen",
welke bedreigingen via verbalisanten van de politie Zeeland-West-Brabant, ter kennis van
genoemde [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en medewerkers van de gemeente Breda zijn gekomen;
2
op 12 juli 2022 te Breda Bijzonder Opsporing Ambtenaren en [benadeelde 1]
(verbalisant bij de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die Bijzonder Opsporing Ambtenaren en [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen "De Gemeente! ...
Feiten
Uit de aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat zijn dochter [benadeelde 6] en haar toenmalige vriend [benadeelde 8] hebben gehoord dat verdachte de ten laste gelegde woorden heeft geuit.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of deze woorden een strafrechtelijke bedreiging opleveren. De rechtbank is van oordeel dat door de verdachte gedane uitlatingen bij [benadeelde 1] de redelijke vrees konden doen ontstaan dat hij of zijn kinderen het leven zouden verliezen. Dit gelet op de inhoud van de uitlatingen in combinatie met de omstandigheid dat deze uitlatingen zijn gericht tegen [benadeelde 1] , die werkzaam is bij de politie en met wie verdachte een jarenlange gespannen verhouding heeft. Daarbij komt dat [benadeelde 1] heeft verklaard dat bij hem ook daadwerkelijk de vrees is opgewekt en hij zich bedreigd heeft gevoeld.
Verdachte heeft de bedreigde woorden geuit in zijn eigen woning tegenover [benadeelde 6] en [benadeelde 8] . Het gaat aldus om indirecte bedreigingen. Door de verdediging is in dit verband aangevoerd dat de uitlatingen van verdachte zijn gedaan in besloten kring en dat hij dan ook niet had hoeven verwachten dat deze uitlatingen naar buiten zouden worden gebracht. De rechtbank overweegt dat in beginsel geldt dat een persoon die een uitlating in privésfeer doet er niet op bedacht hoeft te zijn dat deze uitlating derden bereikt. De rechtbank is van oordeel dat in onderhavige zaak door de familieleden van verdachte echter niet werd ervaren dat er sprake was van een besloten kring, dan wel een privésetting, aangezien de dochter van verdachte zelf aangifte heeft gedaan. Bovendien is het ook verdachte geweest die de bewuste avond de politie heeft gebeld en daarmee ook de eventuele beslotenheid’ heeft doorbroken.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde 1] van de bedreigende woorden op de hoogte zou worden gebracht. Dit gelet op de inhoud van de gebezigde woorden en de reële dreiging die daarvan uitgaat. De indirecte bedreiging vond daarnaast gelijktijdig plaats met de directe bedreigingen van verdachte tegen zijn dochter en ex-vrouw, waarbij verdachte een mes en een knuppel heeft gebruikt. Ook heeft verdachte bij de bedreiging genoemd dat hij wist waar [benadeelde 1] woonde en had verdachte in het bijzijn van zijn dochter al eerder bedreigingen geuit jegens [benadeelde 1] . Zijn eigen familie heeft deze indirecte bedreiging onder feit 4 gelet op deze context dan ook (terecht) serieus genomen en heeft dit doorgegeven aan de politie. Dit alles maakt dat bij verdachte sprake is van voorwaardelijk opzet
Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Feit 5
Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 26 tot en met 28 december 2022 [benadeelde 3] ( [functie 1] van de gemeente Breda) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling, door ten overstaan van [benadeelde 7] , [benadeelde 6] en [benadeelde 8] de woorden te uiten: "Ik ga de ouders van [benadeelde 3] iets aan doen en ik weet waar ze wonen".
Uit de aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat [benadeelde 6] heeft gehoord dat verdachte de ten laste gelegde woorden heeft geuit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat vastgesteld kan worden dat verdachte de tenlastegelegde woorden heeft geuit.
De rechtbank komt met een zelfde juridische redenering zoals genoemd onder feit 4 tot het oordeel dat ook onder feit 5 sprake is van een strafrechtelijke bedreiging.
Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het onder 5 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 1 juni 2022 te Breda [benadeelde 2] en [benadeelde 3] ( [functie 1] gemeente Breda ) en medewerkers van de gemeente Breda heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk tegen verbalisanten van de politie Zeeland-West-Brabant verklaard:
- " Nou is het echt oorlog, als je dat maar gelooft. Ik ga niet alleen he, ik neem mijn
vijanden mee. Ik kan overal aankomen. Handgraat 50 euro, AK-47 2000 euro met
15.000 kogels" en
- " Ik ga twee strontbommen maken, dat ken je niet he. Dat is ontlasting van een
mens van 3 maanden ouden, doen ze ergens in, en dan laten ze het binnen
ontploffen. Ze willen mij ook 3 maanden uit huis zetten, dat hebben ze gezegd de
gemeente, omdat mijn honden af en toe blaffen. Ik heb ze gezegd, als ze aan mijn
honden komen of de honden uit huis willen zetten, zijn ze dood. En daarna ikzelf. Ik
ga toch niet zitten. Het zit al in mijn hoofd. Ik kan een overdosis nemen, mezelf
kapotschieten of voor de trein springen. En dan hoop ik dat jullie allemaal mogen
zoeken naar mijn stukjes" en"
- " [benadeelde 3] , de [functie 1] , nooit een foto op Facebook plaatsen waar je woont, met
je hondje in het park. Ik weet waar ze woont. Kutwijf. Nou moet ik me mond
houden he" en
- " Wie aan mijn honden komt, die zijn dood. Dat hebben de buren wel gemerkt. Die
gooide een lege fles bier over de schutting. Ik was net de poep aan het opruimen,
dat hebben ze wel geweten. Als dat een handgraat was geweest, hadden ze een
handgranaat gekregen. Nooit aan mijn honden komen",
welke bedreigingen via verbalisanten van de politie Zeeland-West-Brabant, ter kennis van
genoemde [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en medewerkers van de gemeente Breda zijn gekomen;
2
op 12 juli 2022 te Breda Bijzonder Opsporing Ambtenaren en [benadeelde 1]
(verbalisant bij de politie Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die Bijzonder Opsporing Ambtenaren en [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen "De Gemeente! ...