Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-05-24
ECLI:NL:RBZWB:2024:3335
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,722 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/1787
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde mr. I.N.D.J. Rissema van Bezwaartegenverkeersboetes.nl),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Goes, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 17 oktober 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [naam 1] en [naam 2] , namens de heffingsambtenaar. De gemachtigde heeft zich afgemeld voor de zitting.
Feiten
2. De auto van belanghebbende met [kenteken] stond op 12 mei 2022 omstreeks 14:04 uur geparkeerd aan de Oostsingel te Goes. Tijdens een controle op deze datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 68,50 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,00 en € 66,50 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de aanslag parkeerbelasting terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Gronden belanghebbende
5. Belanghebbende voert aan dat zij een redelijke termijn moet hebben om parkeerbelasting te betalen en dat zij dit op 12 mei 2022, 14:07 uur, door middel van een parkeerapp heeft gedaan. Daarnaast stelt zij dat de verhoging van het maximum bedrag aan kosten als genoemd in artikel 3, lid 1, Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen is niet overeenkomstig artikel 3, lid 2, van dat besluit vastgesteld. De ondertekening van het besluit van de minister heeft op 3 september 2021 plaatsgevonden en de bekendmaking daarvan pas op 13 september 2021 en dus na de vastgestelde datum. Hierdoor is het bedrag in de Tarieventabel van de Verordening parkeerbelastingen Goes 2022 onverbindend, waardoor de kosten niet bij belanghebbende in rekening kunnen worden gebracht.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
6. Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 12 mei 2022 om 14:04 uur geparkeerd stond aan de Oostsingel te Goes. Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. De parkeercontroleurs hebben geen persoon aangetroffen in de naaste omgeving van de auto die bezig was met een handeling om te voldoen aan de betalingsverplichting. De latere betaling per parkeerapp heeft uiteindelijk plaatsgevonden rond 14:07 uur vanaf een locatie ongeveer 400 meter van de locatie aan de Oostsingel. Onder deze omstandigheden heeft belanghebbende niet voldaan aan de verplichting de parkeerbelasting te voldoen bij de aanvang van het parkeren. Daaruit volgt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
6.1.
Het in rekening brengen van kosten overeenkomstig het door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ruim voor 1 januari 2022 vastgestelde bedrag is niet in strijd met de wettelijke bepalingen. De bekendmakingsdatum in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (vóór 1 september) is namelijk niet bedoeld als een fatale datum die bij overschrijding leidt tot onverbindendheid van de bepaling van het kostenbedrag in de gemeentelijke verordening.
6.2.
In de Verordening parkeerbelastingen Goes 2022 is in de bijbehorende tarieventabel opgenomen dat de kosten van de naheffingsaanslag € 66,50 bedragen, het wettelijk maximum.
6.3.
Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht heeft opgelegd aan belanghebbende en niet tot een te hoog bedrag kosten in rekening heeft gebracht.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd en dat geen te hoog bedrag aan kosten in rekening is gebracht. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed. Ook krijgt belanghebbende geen vergoeding van proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Garb, griffier, op 24 mei 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
zie Regeling van 3 september 2021, Stcrt. 2021, 40592
Het artikellid beoogt de gemeenteraad in staat te stellen tijdig het bedrag voor de kosten van een naheffingsaanslag zoals bedoeld in artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet vast te stellen. De bekendmakingsdatum beoogt in zoverre dan ook niet de belangen van belanghebbenden te beschermen. (zie Hof Amsterdam 16 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:268, overweging 5.7)