Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-05-21
ECLI:NL:RBZWB:2024:3279
Strafrecht
Op tegenspraak
3,313 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/034304-24
v.i. zaaknummer: 99/000503-16
vonnis van de meervoudige kamer van 21 mei 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats]
wonende aan de [woonadres]
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Grave
raadsman mr. O.E. de Jong, advocaat te ‘s-Gravenhage
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 mei 2024, waarbij de officier van justitie, mr. C.M.J.M. van Buul, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling (verder: V.I.) behandeld met het v.i.-zaaknummer 99/000503-16.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een vuurwapen (pistool) met munitie (twee kogelpatronen) voorhanden heeft gehad.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is het eens met het standpunt van de officier van justitie wat betreft de bewezenverklaring van de feiten.
4.3
Beoordeling
Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, zaakregistratienummer PL2000-2024024254, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 60.
Aangezien verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- het proces-verbaal van bevindingen van 29 januari 2024, eindproces-verbaal p. 43 en 44;
- het proces-verbaal van bevindingen, eindproces-verbaal p. 46;
- het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2024, inhoudende de beschrijving en categorisering van het wapen en de munitie (aanvullend processtuk);
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 7 mei 2024.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 29 januari 2024 te Tilburg een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Aksa Arms, type AK17-K7, kaliber 9 x19 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
2
op 29 januari 2024 te Tilburg munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 2 kogelpatronen van het kaliber 9 mm Luger (merk STV Technology) voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie beschouwt de twee strafbare feiten als één geheel en vordert daarvoor aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van negen maanden met aftrek van
voorarrest. Zij baseert zich hiervoor op de richtlijnen van het openbaar ministerie en ziet geen reden om daarvan af te wijken. Van belang acht zij daarbij dat verdachte - volgens hem omdat hij werd bedreigd - met een doorgeladen vuurwapen onder invloed van cocaïne een hotel is binnengelopen, terwijl hij nog in de proeftijd van zijn V.I. liep. Nu de bedreigingen volgens verdachte nog actueel zijn, volgt hieruit ook recidivegevaar.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit aan verdachte een gevangenisstraf van één maand op te leggen. Het wapen dat bij verdachte is aangetroffen, betreft namelijk een gas/alarmpistool, waarvoor volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt één maand gevangenisstraf geldt. Verdachte had een vuurwapen bij zich, omdat hij zich bedreigd voelde door een criminele organisatie, waardoor hij zich genoodzaakt voelde een vuurwapen aan te schaffen voor zijn eigen veiligheid.
6.3
Beoordeling
De aard en de ernst van feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en twee kogelpatronen. Dit is een ernstig feit. Het ongecontroleerd bezit van vuurwapens (en munitie) en zeker vuurwapens die geschikt zijn om scherpe munitie mee te verschieten, zoals bewezenverklaard, is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de bedreiging die daarvan voor de veiligheid van anderen uitgaat en levert een groot gevaar op voor de samenleving. Ook in dit geval was dat gevaar aanwezig. Verdachte is namelijk met het vuurwapen in zijn broeksband de lobby van een hotel binnengelopen terwijl dit vuurwapen was doorgeladen. Verdachte begaf zich aldus met een gebruiksklaar vuurwapen binnen handbereik in een openbare ruimte waar ook andere personen aanwezig waren. Hij was daarbij ook nog eens onder invloed van cocaïne. Afgaande op de eigen verklaring van verdachte ter zitting, had hij dit vuurwapen al vanaf juni 2023 en droeg hij het ook al langere tijd bij zich. De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met al deze omstandigheden.
De rechtbank heeft ook meegewogen dat verdachte vanaf het begin de feiten heeft bekend en ook op zitting een bekennende verklaring heeft afgelegd en daarmee zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Zij merkt daarbij wel op dat die verantwoordelijkheid slechts tot op zekere hoogte wordt genomen en verdachte geen openheid van zaken wil geven over de achterliggende reden (de gestelde bedreigingen aan het adres van verdachte) om een vuurwapen aan te schaffen en bij zich te dragen.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 april 2024 van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar niet met politie en justitie in aanraking is gekomen voor soortgelijke feiten.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 30 april 2024. Hieruit blijkt dat er ten tijde van deze zaak nog een lopend toezicht door de reclassering was in verband met de voorwaardelijke invrijheidsstelling van verdachte. Verdachte heeft een gesprek met de reclassering in deze zaak geweigerd, waardoor de twijfels rondom de echtheid van de eventuele bedreigingen overeind blijven en ook de vraag niet beantwoord is of er een psychische component bij verdachte aanwezig was ten tijde van het plegen van de
Feiten
Straf
De rechtbank neemt bij de strafoplegging de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS als uitgangspunt. Daaruit volgt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III in een openbare ruimte een gevangenisstraf van acht maanden. In de aard en de ernst van de feiten zoals die hiervoor zijn beschreven, ziet de rechtbank aanleiding om in het nadeel van verdachte af te wijken van dit uitgangspunt. Het feit dat het wapen doorgeladen en binnen handbereik was, weegt namelijk - ook volgens de oriëntatiepunten - strafverzwarend mee. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf van negen maanden passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7De vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling
De officier van justitie heeft een vordering gedaan tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, nu verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten, zoals ten laste gelegd in de dagvaarding met parketnummer 02/034304-24.
Bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Limburg d.d. 20 januari 2020 (parketnummer 03/721261-16) is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Verdachte is op 28 april 2023 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de op 720 dagen bepaalde en op de datum van de invrijheidstelling ingaande proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Het openbaar ministerie heeft bij schriftelijke vordering van 19 april 2024 gevorderd dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidsstelling herroept wegens het niet naleven van de daaraan verbonden algemene voorwaarde.
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vordering, nu de vordering op 19 april 2024 is ontvangen op de griffie van de rechtbank en de grond bevat waarop zij berust.
Ter terechtzitting is vast komen te staan dat verdachte op 29 januari 2024 twee nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Door deze bewezenverklaarde strafbare feiten te plegen, heeft de veroordeelde de algemene voorwaarde die aan de voorwaardelijke invrijheidstelling is verbonden niet nageleefd. De rechtbank wijst op grond daarvan de vordering toe. Anders dan door de verdediging bepleit, ziet de rechtbank, met name gelet op de ernst van de gepleegde feiten, geen aanleiding om de vordering slechts voor een deel toe te wijzen of te volstaan met een verlenging van de proeftijd.
8De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling
- wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe.
- gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 720 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, voorzitter, mr. G.M.J. Kok en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.C.S. Jurres-Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 mei 2024.
Mr. L.W. Louwerse is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.