Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-05-10
ECLI:NL:RBZWB:2024:3093
Strafrecht
Op tegenspraak
4,064 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/289046-23
vonnis van de meervoudige kamer van 10 mei 2024
in de strafzaak tegen
[vedachte]
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats]
thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting te Middelburg
raadsman mr. S. van der Eijk, advocaat te ’s-Gravenhage.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 26 april 2024, waarbij de officier
van justitie, mr. C.M.J.M. van Buul, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met
een ander ongeveer 4,88 kilogram cocaïne heeft uitgevoerd dan wel heeft vervoerd dan
wel aanwezig heeft gehad.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van ongeveer 4,88 kilogram cocaïne.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair vrijspraak van het ten laste gelegde feit wegens gebrek aan bewijs. De verdediging stelt daartoe dat de doorzoeking van het voertuig onrechtmatig is geweest wegens het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Daarom is er sprake van een vormverzuim en moet het uit de doorzoeking verkregen materiaal worden uitgesloten van het bewijs.
Voor zover de rechtbank oordeelt dat de doorzoeking van het voertuig wel rechtmatig heeft plaatsgevonden, bepleit de verdediging subsidiair vrijspraak van de (verlengde) uitvoer van de cocaïne wegens gebrek aan bewijs dat verdachte de cocaïne buiten het grondgebied van Nederland zou brengen.
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van het aanwezig hebben en het vervoeren van de cocaïne. Wel bepleit de verdediging hierbij vrijspraak van het onderdeel “medeplegen”, omdat het dossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten bevat.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vast staat dat ongeveer 4,88 kilogram cocaïne is aangetroffen in een verborgen ruimte in het voertuig met Belgisch [kenteken] , waarvan verdachte de eigenaar was. Ook staat vast dat verdachte wetenschap had van de verborgen ruimte en wist dat zich in de verborgen ruimte een hoeveelheid drugs bevond. Verdachte heeft dit bekend.
De (on)rechtmatigheid van de doorzoeking van het voertuig
De verdediging stelt dat de doorzoeking onrechtmatig is geweest, omdat de omstandigheid dat de bestuurder geen identiteitsbewijs kon overhandigen en de aanwezigheid van zwarte handschoenen en een sterke geurverfrisser in het voertuig onvoldoende is voor een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.
Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een rechtmatige doorzoeking en dat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Een opeenstapeling van factoren heeft geleid tot de doorzoeking van het voertuig. In de eerste plaats is het voertuig met daarin de medeverdachte als bestuurder en verdachte als bijrijder, staande gehouden vanwege een signaleringscode. Door de verbalisanten is verder beschreven dat de inzittenden allebei een zenuwachtige indruk maakten, doordat zij snel aan het praten waren en synchroon in koor een verhaal vertelden alsof zij het hadden ingestudeerd.
Vervolgens kon de bestuurder van het voertuig geen identiteitsbewijs overhandigen. Artikel 55b, eerst lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geeft een opsporingsambtenaar de bevoegdheid om een staande gehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, en voorwerpen die de verdachte bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, één en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit. De rechtbank is van oordeel dat de politie alleen al om deze reden onderzoek mocht doen in de kofferbak van de auto als zijnde een plaats waar zich voorwerpen met een identiteitsbewijs kunnen bevinden.
De verbalisanten beschrijven daarnaast dat ze een sterke geurverfrisser en meerdere hand- schoenen zagen liggen in het voertuig. Met toestemming van de bestuurder heeft de politie vervolgens in de laadruimte gekeken. Vanuit zijn expertise met verborgen ruimtes, herkende één van de verbalisanten bepaalde objectieve indicatoren in het voertuig voor de mogelijke aanwezigheid van een verborgen ruimte. Eén daarvan was dat de stof van de achterzijde van de cabine doorliep tot aan de bodemplaat en de andere was dat er materialen waren gebruikt die niet fabrieksmatig in het voertuig aanwezig hoorden te zijn.
De rechtbank is van oordeel dat na deze opeenstapeling van factoren, en met name na het vermoeden van de aanwezigheid van een verborgen ruimte in het voertuig, een redelijk vermoeden van schuld is ontstaan aan overtreding van de Opiumwet. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat dergelijke ruimtes vaak worden gebruikt voor het verbergen van drugs. Daarom acht de rechtbank de doorzoeking van het voertuig rechtmatig.
De rechtbank is van oordeel is dat geen sprake is van een vormverzuim, waardoor geen grond bestaat voor bewijsuitsluiting. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
(Verlengde) uitvoer
Voor een bewezenverklaring van de uitvoer van cocaïne is niet vereist dat de cocaïne daad- werkelijk het grondgebied van Nederland heeft verlaten.
Wel vereist is dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de cocaïne een bestemming had in het buitenland, omdat ook het verrichten van handelingen die onder meer zijn gericht op het vervoer, de opslag en aflevering van drugs ook onder het uitvoeren van drugs moet worden verstaan (de zogenoemde “verlengde uitvoer”).
Verdachte en de medeverdachte hebben de Belgische nationaliteit en zijn aangehouden toen zij in de richting van de Belgische grens reden. De medeverdachte, die als bestuurder in het voertuig zat, heeft bij de politie verklaard dat hij vanuit Utrecht naar Antwerpen het stuur had overgepakt. Een week later heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard dat hij en verdachte vanuit Utrecht kwamen en dat hij onderweg was naar zijn auto, die in Antwerpen stond. Op grond van het een en ander oordeelt de rechtbank bewezen dat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne een bestemming in België had.
De verklaring van verdachte dat hij de drugs moest afleveren op een adres in Breda, oordeelt de rechtbank niet aannemelijk. De informatie die in de navigatieapp Waze op de telefoon van verdachte is gevonden, steunt die verklaring niet. Daarin waren weliswaar twee straatnamen in Breda ingevoerd, maar wanneer deze adressen op de navigatieapp zijn ingevoerd is niet duidelijk geworden. Bovendien stonden daarin ook Belgische adressen. Daar komt bij dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij is benaderd door personen om drugs te vervoeren vanwege zijn Belgische nationaliteit. Daarmee strookt niet dat hij de drugs naar Breda diende te vervoeren.
Conclusie
De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde (verlengde) uitvoer van circa 4,88 kilogram cocaïne.
Voor het overige zal verdachte partieel worden vrijgesproken.
Medeplegen
De rechtbank zal verdachte ook partieel vrijspreken van het onderdeel “medeplegen”, omdat het dossier daarvoor geen objectieve bewijsmiddelen bevat.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 31 oktober 2023 te Moerdijk opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 4,88 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk die cocaïne in een auto vervoerd met de bestemming België.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte ter zake van het bewezen geachte feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf 38 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het feit komt, stelt de verdediging dat bij de strafoplegging onder meer rekening moet worden gehouden met het blanco strafblad van verdachte, het positieve reclasseringsadvies, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn proceshouding.
6.3
Beoordeling
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van circa 4,88 kilogram cocaïne.
De rechtbank is van oordeel dat het uitvoeren van harddrugs een ernstig feit is. Harddrugs, zoals onder meer cocaïne, bevatten immers stoffen die schadelijke zijn voor de gezondheid en sterk verslavend zijn. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Drugs leiden veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit. Dat is ook de reden dat op dergelijke feiten zware straffen zijn gesteld.
Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor het uitvoeren van cocaïne, bij een hoeveelheid tussen de 4 en 5 kilogram, zoals hier aan de orde, geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van 36 tot 38 maanden. De rechtbank slaat verder acht op de straffen die plegen te worden opgelegd in vergelijkbare gevallen voor overtreding van artikel 2 aanhef en onder A van de Opiumwet.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 3 april 2024. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 16 april 2024. De rechtbank leidt daaruit af dat de reclassering bij verdachte risicofactoren signaleert op het gebied van financiën, mogelijk sociaal netwerk en houding. Verdachte schetst stabiliteit op de overige praktische leefgebieden, zoals huisvesting, een betaalde baan en een duidelijk toekomstbeeld met zijn vriendin. Zijn familieband en mogelijke verloving lijken een stok achter de deur te zijn voor verdachte om op het rechte pad te blijven. Al waren deze factoren ook al aanwezig ten tijde van het onderhavige feit. De reclassering heeft geadviseerd om bij een veroordeling aan verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering vindt interventies en toezicht niet nodig. De rechtbank sluit zich hierbij aan.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van verdachte.
De rechtbank zal daarom - in overeenstemming met de strafeis - aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voor- arrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal begaan.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
7Het beslag
7.1
De onttrekking aan het verkeer
Hoewel de officier van justitie de verbeurdverklaring heeft gevorderd, is de rechtbank van oordeel dat het volgende in beslag genomen voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer:
- een witte personenauto met verborgen ruimte van het merk Renault met Belgisch [kenteken] , goednummer G2653410.
Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van het in beslag genomen voertuig. Dit voertuig is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. In het voertuig is immers een verborgen ruimte aangebracht die niet fabrieksmatig in de auto aanwezig is en het is een feit van algemene bekendheid dat voertuigen met dergelijke verborgen ruimtes veelal worden gebruikt voor criminele doeleinden, zoals hier ook aan de orde.
8De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 38 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart het volgende in beslag genomen voorwerp onttrokken aan het verkeer:
- een witte personenauto met verborgen ruimte van het merk Renault met Belgisch [kenteken] , goednummer G2653410.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter, mr. L.W. Louwerse en mr. P.L. Cheung, rechters, in tegenwoordigheid van M.C.C. Joosen, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 mei 2024.