Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-05-01
ECLI:NL:RBZWB:2024:3013
Civiel recht; Goederenrecht
Bodemzaak
3,456 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/420172 / HA ZA 24-132
Vonnis in incident van 1 mei 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [plaats] ,
eiseres in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. B.J. van de Wijnckel te Terneuzen,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonende te [plaats] ,
2. [gedaagde 2],
wonende te [plaats] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden] worden genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening
de conclusie van antwoord in het incident met producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
Geschil
2.1.
[eiseres] vordert bij wege van voorlopige voorziening gedaagden hoofdelijk te bevelen om binnen twee dagen na het wijzen van het vonnis het paaltje zoals getoond op productie 10 bij de dagvaarding of enige andere erfscheiding of obstructie die verhindert dat [eiseres] met haar auto de garage op het perceel [adres 1] te [plaats] kan inrijden en uitrijden, te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom en met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
2.2.
[gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
3.1.
[eiseres] is sinds 24 september 2018 eigenaar van de woning met erf en garage aan het [adres 1] te [postcode] [plaats] (kadastraal bekend [perceel 1] ). [gedaagden] is sinds 7 september 2023, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning met erf aan het [adres 2] te [postcode] [plaats] (kadastraal bekend [perceel 2] ). Partijen zijn buren.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering in de hoofdzaak ten grondslag dat er door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid van overpad is ontstaan die inhoudt dat zij met haar auto gebruik mag maken van (een hoek) van het perceel van [gedaagden] om vanuit haar garage die aan de achterzijde van haar woning ligt naar de [straat 1] te rijden en vice versa. [gedaagden] verhindert [eiseres] om van deze erfdienstbaarheid gebruik te maken door het plaatsen van aanvankelijk een erfafscheiding en nu van een paaltje. [gedaagden] handelen daardoor onrechtmatig jegens [eiseres] .
3.3.
[eiseres] heeft voldoende processueel belang bij de incidentele vordering. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering en is gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven. Derhalve moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel rechtvaardigt. In dit kader is onder meer vereist dat de partij die de voorlopige voorziening vordert een zodanig (dringend) belang bij de gevorderde voorziening heeft dat van hem niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht.
3.4.
Met de stelling van [eiseres] dat een inbreuk wordt gemaakt op haar erfdienstbaarheid van overpad is de spoedeisendheid van de zaak gegeven.
3.5.
Voor de beslissing of de vordering van [eiseres] toewijsbaar is moet de vraag beantwoord worden of het belang van [eiseres] dat zij met haar auto gebruik kan maken van haar garage zwaarder moet wegen dan het belang van [gedaagden] bij het handhaven van het geplaatste paaltje dat aan het gebruik door [eiseres] van de erfdienstbaarheid in de weg staat en dus aan het gebruik van haar garage.
3.6.
[eiseres] stelt dat zij, nu zij als gevolg van de omstandigheid dat zij haar elektrische auto niet langer in de garage kan stallen, zij deze elders moet opladen hetgeen extra kosten met zich meebrengt. Daartegenover stellen [gedaagden] dat zij belang hebben bij handhaving van het paaltje in verband met de veiligheid van hun kinderen die samen met andere kinderen uit de buurt op de betonnen inrit spelen. Volgens [gedaagden] zouden regelmatig op hun inrit kerende auto’s de spelende kinderen over het hoofd kunnen zien.
3.7.
Partijen hebben over en weer foto’s van de situatie overgelegd en [eiseres] als productie 2 een luchtfoto van de situatie ter plaatse. De inrit van de garage van [eiseres] en de toegang tot de tuin van [gedaagden] liggen achter de woningen aan het [straat 2] . De betonnen oprit van [gedaagden] ligt aan de bocht van een (ruime) toegangsweg die vanaf de [straat 1] doorloopt achter de woningen aan het [straat 2] . De rechtbank acht het gelet op de situatie zoals die uit de luchtfoto en de foto’s blijkt vooralsnog niet aannemelijk dat er auto’s op de betonnen oprit van [gedaagden] keren met als gevolg een voor spelende kinderen gevaarlijke situatie. Het belang van [eiseres] om haar auto in haar garage te kunnen stallen en opladen moet dus zwaarder wegen. De rechtbank zal de vordering van [eiseres] toewijzen als na te melden.
3.8.
De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.
Dictum
De rechtbank
in het incident
4.1.
beveelt [gedaagden] hoofdelijk, voor de duur van het geding, om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, het paaltje dat te zien is op de foto overgelegd als productie 10 bij de dagvaarding, of enige andere erfafscheiding of obstructie die verhindert dat [eiseres] met haar auto de garage op het perceel [adres 1] te [plaats] kan inrijden en uitrijden, te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte van een dag waarop [gedaagden] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 10.000,00;
4.2.
verklaart het vonnis ter zake van het bevel uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan;
in de hoofdzaak
4.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 12 juni 2024 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. Luijks en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2024.
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/420172 / HA ZA 24-132
Vonnis in incident van 1 mei 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [plaats] ,
eiseres in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. B.J. van de Wijnckel te Terneuzen,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonende te [plaats] ,
2. [gedaagde 2],
wonende te [plaats] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden] worden genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening
de conclusie van antwoord in het incident met producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
Geschil
2.1.
[eiseres] vordert bij wege van voorlopige voorziening gedaagden hoofdelijk te bevelen om binnen twee dagen na het wijzen van het vonnis het paaltje zoals getoond op productie 10 bij de dagvaarding of enige andere erfscheiding of obstructie die verhindert dat [eiseres] met haar auto de garage op het perceel [adres 1] te [plaats] kan inrijden en uitrijden, te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom en met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
2.2.
[gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
3.1.
[eiseres] is sinds 24 september 2018 eigenaar van de woning met erf en garage aan het [adres 1] te [postcode] [plaats] (kadastraal bekend [perceel 1] ). [gedaagden] is sinds 7 september 2023, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning met erf aan het [adres 2] te [postcode] [plaats] (kadastraal bekend [perceel 2] ). Partijen zijn buren.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering in de hoofdzaak ten grondslag dat er door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid van overpad is ontstaan die inhoudt dat zij met haar auto gebruik mag maken van (een hoek) van het perceel van [gedaagden] om vanuit haar garage die aan de achterzijde van haar woning ligt naar de [straat 1] te rijden en vice versa. [gedaagden] verhindert [eiseres] om van deze erfdienstbaarheid gebruik te maken door het plaatsen van aanvankelijk een erfafscheiding en nu van een paaltje. [gedaagden] handelen daardoor onrechtmatig jegens [eiseres] .
3.3.
[eiseres] heeft voldoende processueel belang bij de incidentele vordering. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering en is gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven. Derhalve moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel rechtvaardigt. In dit kader is onder meer vereist dat de partij die de voorlopige voorziening vordert een zodanig (dringend) belang bij de gevorderde voorziening heeft dat van hem niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht.
3.4.
Met de stelling van [eiseres] dat een inbreuk wordt gemaakt op haar erfdienstbaarheid van overpad is de spoedeisendheid van de zaak gegeven.
3.5.
Voor de beslissing of de vordering van [eiseres] toewijsbaar is moet de vraag beantwoord worden of het belang van [eiseres] dat zij met haar auto gebruik kan maken van haar garage zwaarder moet wegen dan het belang van [gedaagden] bij het handhaven van het geplaatste paaltje dat aan het gebruik door [eiseres] van de erfdienstbaarheid in de weg staat en dus aan het gebruik van haar garage.
3.6.
[eiseres] stelt dat zij, nu zij als gevolg van de omstandigheid dat zij haar elektrische auto niet langer in de garage kan stallen, zij deze elders moet opladen hetgeen extra kosten met zich meebrengt. Daartegenover stellen [gedaagden] dat zij belang hebben bij handhaving van het paaltje in verband met de veiligheid van hun kinderen die samen met andere kinderen uit de buurt op de betonnen inrit spelen. Volgens [gedaagden] zouden regelmatig op hun inrit kerende auto’s de spelende kinderen over het hoofd kunnen zien.
3.7.
Partijen hebben over en weer foto’s van de situatie overgelegd en [eiseres] als productie 2 een luchtfoto van de situatie ter plaatse. De inrit van de garage van [eiseres] en de toegang tot de tuin van [gedaagden] liggen achter de woningen aan het [straat 2] . De betonnen oprit van [gedaagden] ligt aan de bocht van een (ruime) toegangsweg die vanaf de [straat 1] doorloopt achter de woningen aan het [straat 2] . De rechtbank acht het gelet op de situatie zoals die uit de luchtfoto en de foto’s blijkt vooralsnog niet aannemelijk dat er auto’s op de betonnen oprit van [gedaagden] keren met als gevolg een voor spelende kinderen gevaarlijke situatie. Het belang van [eiseres] om haar auto in haar garage te kunnen stallen en opladen moet dus zwaarder wegen. De rechtbank zal de vordering van [eiseres] toewijzen als na te melden.
3.8.
De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.
Dictum
De rechtbank
in het incident
4.1.
beveelt [gedaagden] hoofdelijk, voor de duur van het geding, om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, het paaltje dat te zien is op de foto overgelegd als productie 10 bij de dagvaarding, of enige andere erfafscheiding of obstructie die verhindert dat [eiseres] met haar auto de garage op het perceel [adres 1] te [plaats] kan inrijden en uitrijden, te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte van een dag waarop [gedaagden] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 10.000,00;
4.2.
verklaart het vonnis ter zake van het bevel uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan;
in de hoofdzaak
4.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 12 juni 2024 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. Luijks en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2024.