Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-25
ECLI:NL:RBZWB:2024:2697
Strafrecht
Op tegenspraak
1,857 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/277412-21
vonnis van de meervoudige kamer van 25 april 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] )
wonende te [woonadres]
raadsman mr. M.C.J. Heinen, advocaat te Roosendaal
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 april 2024, waarbij de officier van justitie, J. Verschuren, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De op grond van artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 10 oktober 2021 in een trein openlijk geweld in vereniging heeft gepleegd tegen buitengewoon opsporingsambtenaren [benadeelde 1] en [benadeelde 2] of dat hij hen heeft mishandeld.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat het feit primair en subsidiair niet bewezen kan worden. Hij verzoek verdachte vrij te spreken.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit vrij te spreken.
4.3
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat uit de aangiften van buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) [benadeelde 2] en [benadeelde 1] volgt dat zij op 10 oktober 2021 dienst hadden in de trein van Breda naar Roosendaal. In deze trein zijn zij verdachte tegengekomen. Uit beide aangiften blijkt dat verdachte in de trein met zijn telefoon aan het filmen was. [getuige] ondersteunt dit. Het is daarom voor de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat verdachte wel degelijk aan het filmen was en dat dit de aanleiding heeft gevormd voor de boa’s [benadeelde 2] en [benadeelde 1] om hem daarop aan te spreken.
Uit beide aangiften volgt dat verdachte vervolgens de telefoon met de camera in het gezicht van [benadeelde 1] heeft geduwd en dat hij hierna heeft getrokken aan [benadeelde 1] . Daarnaast is er aangifte gedaan van een trap en een klap.
De rechtbank stelt vast dat de aangiften op het punt van de trap en de klap elkaar niet ondersteunen. [benadeelde 2] omschrijft één trap die hem raakte, terwijl [benadeelde 1] één trap omschrijft die hem persoonlijk in zijn zij raakte. De rechtbank kan niet vaststellen dat beide aangevers dezelfde trap omschrijven. De klap die door [benadeelde 2] is omschreven wordt niet genoemd door [benadeelde 1] . Verdachte ontkent dat hij heeft getrapt en geslagen. Er zijn geen andere bewijsmiddelen die de trap en de klap beschrijven. De val die door [benadeelde 2] is beschreven, wordt ook niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het dossier biedt daarmee onvoldoende wettige bewijsmiddelen om de trap en de klap te kunnen bewijzen.
Daarmee blijft het in het gezicht duwen van de telefoon en het trekken aan [benadeelde 1] over. Uit het dossier volgt voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte deze handelingen heeft verricht en dat er daardoor een zeer vervelende situatie voor de twee boa’s [benadeelde 2] en [benadeelde 1] is ontstaan. Uit de aangiften en de verklaringen bij de rechter-commissaris volgt echter niet dat [benadeelde 1] door de handelingen van verdachte pijn of letsel heeft ervaren. Bovendien kan de rechtbank ten aanzien van deze handelingen niet vaststellen dat verdachte de handelingen samen met anderen zou hebben gepleegd. Hiervoor zijn ook geen andere bewijsmiddelen in het dossier aanwezig.
Om te kunnen spreken van openlijk geweld, moet er sprake zijn van geweld in vereniging waaraan een verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat verdachte het in het gezicht duwen van de telefoon en het trekken samen met iemand anders heeft gedaan, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van openlijk geweld. Zij spreekt verdachte daarom vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.
Ook de subsidiair verweten mishandeling kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen. Er is immers op basis van de verklaringen van [benadeelde 1] niet vast te stellen dat de handelingen van verdachte, waarvoor wel wettig bewijs is, pijn en letsel hebben opgeleverd. De handelingen zijn ook niet van zo’n aard dat op basis van feiten van algemene bekendheid vastgesteld kan worden dat zij altijd pijn of letsel op zullen leveren. Om deze reden kan de rechtbank deze handelingen niet kwalificeren als mishandeling.
Alles overwegende zal de rechtbank verdachte integraal vrijspreken van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.
5De benadeelde partijen
Benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 20.266,32 voor het ten laste gelegde feit.
Verdachte wordt vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Zij bepaalt wel dat benadeelde partij de vordering aan kan brengen bij de burgerlijke rechter.
Benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 217,00 voor het ten laste gelegde feit.
Verdachte wordt vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Zij bepaalt wel dat benadeelde partij de vordering aan kan brengen bij de burgerlijke rechter.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feit;
Benadeelde partijen
- verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vorderingen en bepaalt dat de vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.I. Beudeker, voorzitter, mr. D. van Kralingen en
mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 april 2024.
De voorzitter, jongste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.