Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-16
ECLI:NL:RBZWB:2024:2487
Strafrecht
Op tegenspraak
1,407 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/294728-22
vonnis van de meervoudige kamer van 16 april 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsman: mr. J. van Wijk, advocaat te Eindhoven
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 april 2024, waarbij de officier van justitie mr. U.D. Colak en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd om [aangever] te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om [aangever] (hierna: aangever) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Voor de poging doodslag bestaat onvoldoende bewijs, zodat daarvan vrijspraak moet volgen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging meent dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.
4.3
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat in de nacht van 13 november 2022 een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen aangever ([aangever] ) en verdachte ( [verdachte] ) op het woonwagenkamp aan de [adres] in [geboorteplaats] . Verdachte en aangever woonden op dit woonwagenkamp en waren buren van elkaar. Die bewuste nacht is een conflict tussen hen ontstaan en hebben er gewelddadigheden plaatsgevonden, waarbij zij allebei wapens in de hand hebben genomen in de vorm van een mes en/of een slagwapen. Bij dit conflict zijn aangever en verdachte gewond geraakt. Aangever heeft een wond in zijn linkerborstkas opgelopen als gevolg waarvan een klaplong is ontstaan. Bij verdachte is letsel aan zijn hoofd en zijn flinke (bijt)verwondingen aan zijn armen geconstateerd die vermoedelijk waren ontstaan door de hond van aangever. Verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment een mes in zijn handen had en dat hij daarmee misschien aangever heeft geraakt. Uit deze verklaring, in samenhang met de vaststaande feiten beschouwd, leidt de rechtbank af dat verdachte de wond in de linkerborstkas van aangever heeft aangebracht met een mes.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte de wond aan de linker-borstkas van aangever opzettelijk, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft toegebracht.
In geval vast zou komen te staan dat verdachte met dit mes op zak de confrontatie met aangever heeft opgezocht, zou, (voorwaardelijk) opzet van verdachte kunnen worden aangenomen. Op basis van het dossier kan echter niet worden vastgesteld waar het mes vandaan kwam en op welk moment het mes in de handen van verdachte terecht is gekomen.
De rechtbank stelt verder vast dat de aard van de verwonding van aangever, te weten een steekwond van 1 tot 1,5 centimeter breed, niet onmiskenbaar duidt op een hard steken met een mes waaruit het (voorwaardelijk) opzet zou kunnen worden afgeleid.
Voor het overige bevat het dossier ook geen bewijsmiddelen waaruit het (voorwaardelijk) opzet afgeleid kan worden.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het doden van aangever of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal verdachte daarom integraal vrijspreken.
5De benadeelde partij
De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 7.246,80.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Overwegingen
6.1
De teruggave
De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in beslag genomen mes (goednummer 2524980) aan de rechthebbende.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij [aangever] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Beslag
- gelast de teruggave aan de rechthebbende van het inbeslaggenomen mes (goednummer 2524980);
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, mr. M. Veldhuizen en mr. L. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.E.M. Hoezen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 april 2024.
Mr. Sterk en mr. Veldhuizen zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.