Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-29
ECLI:NL:RBZWB:2024:2413
Strafrecht; Strafprocesrecht
Wraking
1,287 tokens
Dictum
in de zaak van
[verzoekster] ,
wonende te [plaats] ,
verzoekster,
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank in de zaak met zaaknummer 02-073684-24 (hierna: de hoofdzaak);
de e-mail van verzoekster van 11 maart 2024 met het verzoek om de zitting aan te houden dan wel de gevangenhouding van de verdachte te verlengen;
de e-mail van 12 maart 2024, verzonden namens de gewraakte rechter, met de mededeling aan verzoekster dat haar e-mail van 11 maart 2024 niet in behandeling wordt genomen;
het wrakingsverzoek van 12 maart 2024;
de reactie van de gewraakte rechter, door de rechtbank ontvangen op 13 maart 2024.
2Het verzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Van der Ploeg-Hogervorst (hierna: de rechter), optredend als raadkamer-rechter, inzake een vordering tot gevangenhouding van [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2002 (hierna: de verdachte). De verdachte werd in de hoofdzaak bijgestaan door zijn advocaat mr. M.V. de Nooijer.
2.2
Verzoekster is moeder en curator van de verdachte.
2.3
Verzoekster legt aan haar verzoek, kort weergegeven, het volgende ten grondslag. Zij is ten onrechte buitenspel gezet door de rechter. Als curator van de verdachte beschikt zij over bepaalde strafrechtelijke bevoegdheden. Om die reden was er een aanleiding om ter zitting aanwezig te zijn en te worden gehoord.
2.4
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.
2.5
Wegens het spoedeisend belang van de hoofdzaak, is deze op 12 maart 2024 op zitting behandeld. Op deze datum is ook een beslissing gegeven in raadkamer van deze rechtbank door onder andere de gewraakte rechter.
Beoordeling
3.1
Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
3.2
Op grond van artikel 512 jo. artikel 331 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan op verzoek van de verdachte, zijn advocaat of het openbaar ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. In de rechtspraak is dit recht ook toegekend aan enkele andere deelnemers aan het strafproces. Op grond van artikel 513, eerste lid, Sv wordt het verzoek tot wraking gedaan, zodra de feiten of omstandigheden als hiervoor bedoeld aan de verzoeker bekend zijn geworden.
3.3.
De wrakingskamer is van oordeel dat verzoekster in haar verzoek tot wraking kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De mogelijkheid tot wraking staat namelijk alleen open voor deelnemers aan het strafproces en verzoekster is geen procesdeelnemer in de hoofdzaak. De omstandigheid dat verzoekster curator is van de verdachte vormt geen aanleiding voor een andere conclusie. Een curator is een vertegenwoordiger in burgerlijke zaken en geen deelnemer in het strafproces. In dat proces wordt de verdachte bijgestaan door een advocaat. De bepalingen over vertegenwoordiging, nodig in civiele zaken, zijn in het strafrecht niet van toepassing. De verdachte mag zelf zijn advocaat kiezen en mag met de advocaat de overeenkomst van opdracht sluiten zonder toestemming van de curator.
3.4.
Omdat sprake is van kennelijke niet-ontvankelijkheid laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 lid 2 sub b van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol). Dat verzoekster heeft meegedeeld het wrakingsverzoek op een zitting nader te willen toelichten, maakt dit niet anders.
Dictum
De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven op 29 maart 2024 door mr. Holierhoek, rechter en voorzitter, mr. Van Noort en mr. Van der Lende-Mulder Smit, rechters, in aanwezigheid van mr. De Mul, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.