Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-12
ECLI:NL:RBZWB:2024:2243
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,218 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Bergen op Zoom
zaaknummer : 10589313 \ MB VERZ 23-230
CJIB-nummer : 9062 5224 9562 47768
uitspraakdatum : 12 maart 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 12 maart 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: bij wisselen van rijstrook geen teken met richtaanwijzer op 24 februari 2022 om 17:16 uur op de Van Gorkumweg in Bergen op Zoom.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat hij wel gebruik heeft gemaakt van zijn richtingaanwijzer tijdens het verwisselen van rijstroken. Daarnaast geeft betrokkene aan niet staande te zijn gehouden terwijl dit wel mogelijk zou zijn op de weg waarop de betrokkene reed.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit het zaakoverzicht volgt dat er door verbalisant alleen is gemeld dat er geen stopbord voor handen was. De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht om een aanvullend proces-verbaal, verbalisant is echter niet langer in dienst en dus niet meer bereikbaar. Mede gelet op de schending van de hoorplicht en de redelijke termijn, verzoekt de zittingsvertegenwoordiger het beroep gegrond te verklaren.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant.
Staandehouding
Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Volgens het zaaksoverzicht heeft de verbalisant afgezien van staandehouding, omdat hij niet beschikte over een stoptransparant. De enkele vermelding van het ontbreken van een stoptransparant is, gelet op de jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2022:9228), onvoldoende. De verbalisant had nader moeten toelichten waarom het bij het ontbreken van een dergelijk middel niet mogelijk was om betrokkene op een andere wijze staande te houden. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit het dossier niet dat er geen reële mogelijkheid is geweest voor een staandehouding.
De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 109 dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.V. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.A. Lequin, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2024.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: