Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-02
ECLI:NL:RBZWB:2024:2206
Strafrecht
Raadkamer
1,838 tokens
Dictum
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M.A. de Mik, advocaat te Amsterdam (Amstelplein 40, 1096 BC Amsterdam),
hierna te noemen: de verzoeker.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 7.439,01, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de aantekening van het mondelinge vonnis van de politierechter van 14 juli 2023 waarbij verzoeker is vrijgesproken;
het gewijzigde schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie van 15 maart 2024.
Op 20 maart 2024 heeft het onderzoek in raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. J.A. Castelijn, en mr. M.A. de Mik als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat verzoeker op 14 juli 2023 is vrijgesproken in de zaak met parketnummer 02-283328-22 en dat hij in verband met de strafzaak kosten van rechtsbijstand heeft gemaakt die door zijn werkgever NS zijn betaald. Namens de NS verzoekt hij een vergoeding van een bedrag ter hoogte van € 7.439,01, te vermeerderen met de forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift.
De advocaat heeft in aanvulling op het verzoekschrift in raadkamer aangevoerd dat zij meent dat de opgevoerde uren voor het opstellen van de pleitnota ten behoeve van de strafzaak wel degelijk in verhouding staan tot de omvang van de pleitnota. Mede gelet op de ruime en onduidelijke vordering van de benadeelde partij was het noodzakelijk de vordering uitgebreid te betwisten. Daarbij komt dat er in de strafzaak meer werkzaamheden waren vereist in vergelijking met een ‘standaard’ politierechterzitting.
Ten aanzien van de studie en analyse van het dossier en het juridische kader merkt de advocaat op dat de gedeclareerde uren betrekking hadden op zeer specifieke juridische vragen en rechtspraak en daarmee niet zozeer zagen op algemene kennis en ervaring.
Gelet op voornoemde omstandigheden acht de advocaat het dan ook redelijk en billijk dat de verzochte vergoeding van kosten rechtsbijstand wordt toegewezen.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij het gewijzigde schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat de verzochte vergoeding van kosten rechtsbijstand kan worden toegewezen tot een bedrag van € 3.641,47. Zijns inziens staan de gedeclareerde uren die zien op studie en analyse van het dossier en de tijd die in de pleitnota is gestoken niet in verhouding tot de complexiteit van de zaak en wat je mag verwachten aan tijdsbesteding. Er worden thans 28 uren in rekening gebracht waar 14 uur (op basis van de standaarduren die de Raad voor Rechtsbijstand hanteert voor een zaak die voor de politierechter komt) het uitgangspunt is. De officier van justitie ziet in het dossier van slechts 28 pagina’s en in de vorderding van de benadeelde partij niet terug dat er sprake is van een dermate bijzonderheid of complexiteit die maakt dat de gedeclareerde uren boven de als standaard geldende 14 uren vallen en ten behoeve van de staatskas dienen te komen.
Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Verzoeker heeft verzocht om vergoeding van een bedrag van € 7.439,01 aan kosten van rechtsbijstand. In raadkamer heeft de raadsvrouw gewezen op het extra aantal uren die de vordering van de benadeelde partij met zich mee heeft gebracht.
Gelet op de aard van de zaak en de zeer beperkte omvang van het dossier acht de rechtbank hetgeen nu aan kosten van rechtsbijstand wordt verzocht niet redelijk en billijk. Zij is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij ook niet dermate omvangrijk of ingewikkeld is dat deze afwijkt van een standaardvordering. De rechtbank zal om die reden het aantal uren waarvan vergoeding wordt verzocht beperken. Zij zoekt daarbij aansluiting bij de door de officier van justitie redelijk geachte 14 uren en zal op gronden van billijkheid een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand toekennen tot een bedrag van € 3.641,47.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 4.321,47, bestaande uit:
- € 3.641,47 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 4.321,47 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Jahae Advocaten te Amsterdam, onder vermelding van “ [dossiernummer] ( [verzoeker] /530 Sv)”.
Deze beslissing is op 2 april 2024 gegeven door mr. E.B. Prenger, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).