Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-01
ECLI:NL:RBZWB:2024:1936
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
5,696 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/419060 / JE RK 24-245
Datum uitspraak: 1 maart 2024
beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
De Raad voor de Kinderbescherming¸
Regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[partner van moeder] ,
hierna te noemen: de partner van de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
[partner van vader] ,
hierna te noemen: de partner van de vader,
wonende in [plaats] .
Als informant wordt aangemerkt:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland,
hierna te noemen: de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in zijn beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 13 februari 2024;
- de brief van de vader met bijlagen van 19 februari 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 maart 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder;
de partner van de moeder;
de vader;
de partner van de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van negen maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. De Raad maakt zich zorgen over de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling van de minderjarigen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zitten klem in hun loyaliteit richting beide ouders doordat het hen niet lukt om met elkaar te communiceren. Het lukt de ouders, ondanks de inzet van verschillende vrijwillige en intensieve hulpverleningstrajecten bij het SMWO en Stiefpunt onvoldoende om de afspraken voor langere duur vast te houden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren niet dat zij evenveel mogen houden van de andere ouder en weten niet wat zij mogen vertellen over de ene ouder bij de andere ouder. Het risico van het voortduren van het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich bevinden is dat zij in de toekomst voor één van de ouders gaan kiezen en het contact met de andere ouder gaan verliezen. De ouders hebben geprobeerd afspraken te maken die voor hen, maar ook voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] werken maar dat is niet gelukt. Het is belangrijk dat de ouders ondersteuning gaan krijgen in het maken van afspraken zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan ervaren dat zij van beide ouders mogen houden. [minderjarige 1] zit in een negatieve spiraal in het contact met haar vader en de partner van de vader. Zij wil de regie hebben over de invulling van het contact en op dit moment krijgt [minderjarige 1] ook de ruimte om de regie te pakken omdat de ouders niet samen de beslissingen nemen voor haar die nodig zijn. De Raad verzoekt een ondertoezichtstelling voor de duur van 9 maanden en niet voor één jaar omdat de ouders zelf ook al stappen hebben gezet door middel van hulpverlening. De Raad hoopt dat er in de komende 9 maanden een doorstart kan worden gemaakt met hulpverlening die haalbaar is.
4.2.
[minderjarige 2] wil graag dat zijn vader daadwerkelijk voor hem beschikbaar is als zij samen vakantie hebben. Daarbuiten ziet hij geen probleem, hij wil vooral niet dat er teveel moet worden gepraat. Maar misschien kan het een keer handig zijn om met iemand te bellen als er wat is. Daar heeft hij geen voorbeelden voor want hij zit nu goed. Buiten de ouders en hun partners vertrouwt hij mevrouw [naam] en oma van moederszijde. Bij [minderjarige 1] kwam oma ook uit deze vraag naar voren. [minderjarige 1] heeft bovendien een specifieke vraag: als er hulpverlening voor haar moet komen, dan wil ze daar wel graag inspraak in wie dat is en wat die gaat doen. [minderjarige 1] ervaart de rechtszaak als spannend omdat ze niet weet wat er precies uit zal komen.
4.3.
De vader geeft tijdens de mondelinge behandeling aan dat hij het verzoek tot ondertoezichtstelling had verwacht. Mevrouw [naam] van Stiefpunt had al aan de ouders aangegeven dat als er geen vooruitgang in de situatie zou zitten, er een verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen zou worden gedaan. De vader is gegroeid in de gesprekken met de hulpverlening, in die zin dat hij heeft geleerd meer geduld te bewaren richting de moeder als het gaat over het maken van afspraken. Hij heeft handvatten gekregen om hier beter mee om te gaan. De vader voert geen verweer tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.4.
De partner van de vader geeft aan dat zij het moeilijk vindt dat er in het rapport van de Raad zoveel dingen worden geschreven over de situatie tussen haar en [minderjarige 1] thuis zonder dat zij daar iets over heeft mogen zeggen. Daarom is ze blij dat ze alsnog voor de mondelinge behandeling is opgeroepen. Het is vervelend dat de kinderen in een loyaliteitsconflict zitten en de partner van de vader vindt het moeilijk om te lezen dat blij [minderjarige 1] blijkbaar het gevoel leeft dat zij haar niet aardig mag vinden.
4.5.
De moeder voert tijdens de mondelinge behandeling aan dat zij het eens is met het verzoek van de Raad. Er moeten stappen gezet worden en het is belangrijk dat er zicht komt op de kinderen. Het traject dat ouders hebben doorlopen via het SMWO en Stiefpunt is niet voldoende gebleken en daarom is het goed dat er vanuit de GI nu wordt meegekeken. Het is ook belangrijk dat er rust komt.
4.6.
De partner van de moeder geeft aan dat hij het verzoek tot ondertoezichtstelling had verwacht. De kinderen hebben zich een tijd niet lekker in hun vel gevoeld. Het gaat nu beter met ze maar toch is het goed dat er extra ondersteuning voor hen, maar ook voor de ouders komt.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omdat ze al te lang klem zitten tussen hun ouders en hun partners. Deze situatie duurt inmiddels al lang en er ontstaan slijtageplekken, voornamelijk bij [minderjarige 1] . Zij ervaart negativiteit in het contact tussen haar en de partner van de vader. Als er niet op korte termijn iets gaat veranderen dan zal ook [minderjarige 2] daar mogelijk bij komen. De hulpverlening die de ouders vanuit het Stiefpunt en SMWO hebben gevolgd is onvoldoende gebleken om het loyaliteitsconflict waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in zitten, te verminderen. Het is nodig dat er regievoering komt vanuit de GI om de ouders weer in de juiste richting te krijgen. Het is belangrijk dat de ouders de komende periode onder regie van de GI gaan werken aan hun onderlinge verstandhouding, aan het wegnemen van het wantrouwen tussen hen en aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie. De kinderrechter geeft de GI mee om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te gaan praten over inzet van hulpverlening voor hen. De GI moet hierbij aandacht hebben voor het feit dat [minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij graag een stem wil hebben in het kiezen van de hulpverlening. De kinderrechter denkt in deze zaak ook aan inzet van de JIM (Jouw Ingebrachte Mentor). [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten gepolst worden wat zij ervan vinden om een vertrouwenspersoon te krijgen uit hun netwerk. De kinderrechter verwacht dat de ouders met behulp van de GI flinke stappen vooruit kunnen zetten en vindt de door de GI verzochte duur van 9 maanden voor de ondertoezichtstelling dan ook reëel.
5.3.
De kinderrechter zal daarom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van negen maanden.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 1 maart 2024 en tot 1 december 2024;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2024 door mr . . Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Duerink als griffier, en op schrift gesteld op 15 maart 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/419060 / JE RK 24-245
Datum uitspraak: 1 maart 2024
beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
De Raad voor de Kinderbescherming¸
Regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[partner van moeder] ,
hierna te noemen: de partner van de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
[partner van vader] ,
hierna te noemen: de partner van de vader,
wonende in [plaats] .
Als informant wordt aangemerkt:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland,
hierna te noemen: de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in zijn beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 13 februari 2024;
- de brief van de vader met bijlagen van 19 februari 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 maart 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder;
de partner van de moeder;
de vader;
de partner van de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van negen maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. De Raad maakt zich zorgen over de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling van de minderjarigen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zitten klem in hun loyaliteit richting beide ouders doordat het hen niet lukt om met elkaar te communiceren. Het lukt de ouders, ondanks de inzet van verschillende vrijwillige en intensieve hulpverleningstrajecten bij het SMWO en Stiefpunt onvoldoende om de afspraken voor langere duur vast te houden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren niet dat zij evenveel mogen houden van de andere ouder en weten niet wat zij mogen vertellen over de ene ouder bij de andere ouder. Het risico van het voortduren van het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich bevinden is dat zij in de toekomst voor één van de ouders gaan kiezen en het contact met de andere ouder gaan verliezen. De ouders hebben geprobeerd afspraken te maken die voor hen, maar ook voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] werken maar dat is niet gelukt. Het is belangrijk dat de ouders ondersteuning gaan krijgen in het maken van afspraken zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan ervaren dat zij van beide ouders mogen houden. [minderjarige 1] zit in een negatieve spiraal in het contact met haar vader en de partner van de vader. Zij wil de regie hebben over de invulling van het contact en op dit moment krijgt [minderjarige 1] ook de ruimte om de regie te pakken omdat de ouders niet samen de beslissingen nemen voor haar die nodig zijn. De Raad verzoekt een ondertoezichtstelling voor de duur van 9 maanden en niet voor één jaar omdat de ouders zelf ook al stappen hebben gezet door middel van hulpverlening. De Raad hoopt dat er in de komende 9 maanden een doorstart kan worden gemaakt met hulpverlening die haalbaar is.
4.2.
[minderjarige 2] wil graag dat zijn vader daadwerkelijk voor hem beschikbaar is als zij samen vakantie hebben. Daarbuiten ziet hij geen probleem, hij wil vooral niet dat er teveel moet worden gepraat. Maar misschien kan het een keer handig zijn om met iemand te bellen als er wat is. Daar heeft hij geen voorbeelden voor want hij zit nu goed. Buiten de ouders en hun partners vertrouwt hij mevrouw [naam] en oma van moederszijde. Bij [minderjarige 1] kwam oma ook uit deze vraag naar voren. [minderjarige 1] heeft bovendien een specifieke vraag: als er hulpverlening voor haar moet komen, dan wil ze daar wel graag inspraak in wie dat is en wat die gaat doen. [minderjarige 1] ervaart de rechtszaak als spannend omdat ze niet weet wat er precies uit zal komen.
4.3.
De vader geeft tijdens de mondelinge behandeling aan dat hij het verzoek tot ondertoezichtstelling had verwacht. Mevrouw [naam] van Stiefpunt had al aan de ouders aangegeven dat als er geen vooruitgang in de situatie zou zitten, er een verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen zou worden gedaan. De vader is gegroeid in de gesprekken met de hulpverlening, in die zin dat hij heeft geleerd meer geduld te bewaren richting de moeder als het gaat over het maken van afspraken. Hij heeft handvatten gekregen om hier beter mee om te gaan. De vader voert geen verweer tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.4.
De partner van de vader geeft aan dat zij het moeilijk vindt dat er in het rapport van de Raad zoveel dingen worden geschreven over de situatie tussen haar en [minderjarige 1] thuis zonder dat zij daar iets over heeft mogen zeggen. Daarom is ze blij dat ze alsnog voor de mondelinge behandeling is opgeroepen. Het is vervelend dat de kinderen in een loyaliteitsconflict zitten en de partner van de vader vindt het moeilijk om te lezen dat blij [minderjarige 1] blijkbaar het gevoel leeft dat zij haar niet aardig mag vinden.
4.5.
De moeder voert tijdens de mondelinge behandeling aan dat zij het eens is met het verzoek van de Raad. Er moeten stappen gezet worden en het is belangrijk dat er zicht komt op de kinderen. Het traject dat ouders hebben doorlopen via het SMWO en Stiefpunt is niet voldoende gebleken en daarom is het goed dat er vanuit de GI nu wordt meegekeken. Het is ook belangrijk dat er rust komt.
4.6.
De partner van de moeder geeft aan dat hij het verzoek tot ondertoezichtstelling had verwacht. De kinderen hebben zich een tijd niet lekker in hun vel gevoeld. Het gaat nu beter met ze maar toch is het goed dat er extra ondersteuning voor hen, maar ook voor de ouders komt.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omdat ze al te lang klem zitten tussen hun ouders en hun partners. Deze situatie duurt inmiddels al lang en er ontstaan slijtageplekken, voornamelijk bij [minderjarige 1] . Zij ervaart negativiteit in het contact tussen haar en de partner van de vader. Als er niet op korte termijn iets gaat veranderen dan zal ook [minderjarige 2] daar mogelijk bij komen. De hulpverlening die de ouders vanuit het Stiefpunt en SMWO hebben gevolgd is onvoldoende gebleken om het loyaliteitsconflict waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in zitten, te verminderen. Het is nodig dat er regievoering komt vanuit de GI om de ouders weer in de juiste richting te krijgen. Het is belangrijk dat de ouders de komende periode onder regie van de GI gaan werken aan hun onderlinge verstandhouding, aan het wegnemen van het wantrouwen tussen hen en aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie. De kinderrechter geeft de GI mee om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te gaan praten over inzet van hulpverlening voor hen. De GI moet hierbij aandacht hebben voor het feit dat [minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij graag een stem wil hebben in het kiezen van de hulpverlening. De kinderrechter denkt in deze zaak ook aan inzet van de JIM (Jouw Ingebrachte Mentor). [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten gepolst worden wat zij ervan vinden om een vertrouwenspersoon te krijgen uit hun netwerk. De kinderrechter verwacht dat de ouders met behulp van de GI flinke stappen vooruit kunnen zetten en vindt de door de GI verzochte duur van 9 maanden voor de ondertoezichtstelling dan ook reëel.
5.3.
De kinderrechter zal daarom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van negen maanden.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 1 maart 2024 en tot 1 december 2024;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2024 door mr . . Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Duerink als griffier, en op schrift gesteld op 15 maart 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.