Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-16
ECLI:NL:RBZWB:2024:181
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,784 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Eindhoven
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4086
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de Ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 15 juli 2022.
1.1.
De ontvanger heeft aan belanghebbende vervolgingskosten in rekening gebracht in verband met het betekenen van het dwangbevel tot betaling van het openstaande bedrag op de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting met [aanslagnummer] Y.1.2 .
1.2.
De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De ontvanger heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de ontvanger [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de ontvanger terecht de vervolgingskosten in rekening heeft gebracht. Meer specifiek of de ontvanger de aanmaning heeft verzonden. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de ontvanger aannemelijk heeft gemaakt dat de aanmaning is verzonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. De inspecteur van de Belastingdienst heeft aan belanghebbende met dagtekening 8 juli 2021 de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting van € 115 ( [aanslagnummer] Y.1.2 ; de naheffingsaanslag) opgelegd. Gelijktijdig is bij beschikking een (betaal)verzuimboete opgelegd van € 55. Daartegen is bezwaar gemaakt en de inspecteur van de Belastingdienst heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 oktober 2021 beide beschikkingen gehandhaafd. Met het doen van deze uitspraak is het verleende uitstel van betaling te komen vervallen.
3.1.
De ontvanger heeft van belanghebbende op 20 juli 2021 een bedrag van € 115 op de naheffingsaanslag ontvangen.
3.2.
De aanmaning tot het betalen van het openstaande bedrag van € 55 is gedagtekend op 24 december 2021. Daarbij heeft de ontvanger € 8 aanmaningskosten in rekening gebracht.
3.3.
De ontvanger heeft, bij het uitblijven van een betaling een dwangbevel met dagtekening met dagtekening 25 maart 2022 aan belanghebbende verzonden. Bij het dwangbevel is een bedrag van € 45 aan kosten in rekening gebracht. Daartegen heeft belanghebbende tijdig bezwaar gemaakt.
Overwegingen
4. In artikel 12 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) is bepaald dat indien een belastingplichtige (na aanmaning) in gebreke blijft, de invordering kan geschieden door een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel.
4.1.
In artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet) is bepaald dat voor het betekenen van een dwangbevel met bevel tot betaling kosten verschuldigd zijn.
4.2.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij de aanmaning met daarin € 8 aan kosten nooit heeft ontvangen. Belanghebbende stelt dat hij regelmatig de post niet op zijn woonadres ontvangt.
4.3.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.3.1.
Vast staat dat nadat de inspecteur van de Belastingdienst uitspraak op bezwaar heeft gedaan inzake de naheffingsaanslag het uitstel van betaling is komen te vervallen. Belanghebbende betwist de ontvangst van de aanmaning tot betaling van het openstaande bedrag op de naheffingsaanslag. In die stelling ligt een betwisting van de verzending van de aanmaning begrepen. Het ligt dan op de weg van de ontvanger, waarbij hij stelt dat de aanmaning bekend is gemaakt door verzending per post naar het woonadres van belanghebbende, aannemelijk te maken dat het desbetreffende poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf. Die bewijslast houdt mede in dat de ontvanger aannemelijk moet maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende poststuk is aangeboden.
4.3.2.
Niet in geschil is dat het toezendadres dat de ontvanger heeft gebruikt, juist is. De ontvanger heeft inzake de verzending van de aanmaning een verzendrapportage overlegd (het rapport). Uit het rapport blijkt het volgende. De aanmaning betreffende de naheffingsaanslag, met als dagtekening 24 december 2021, is in een geautomatiseerd proces opgemaakt. De medewerker van de Belastingdienst, die het rapport heeft opgemaakt, heeft het digitale spoor van de vervaardiging van de aanmaning kunnen volgen tot en met het aanbieden aan PostNL ter verzending op 21 december 2021. De rechtbank is van oordeel dat de ontvanger met het rapport aannemelijk heeft gemaakt dat de aanmaning aan PostNL is aangeboden voor verzending aan belanghebbende. De enkele stelling dat belanghebbende regelmatig geen post op zijn woonadres ontvangt, rechtvaardigt niet het vermoeden dat de aanmaning niet op het adres van belanghebbende is ontvangen of aangeboden. De ontvanger heeft dus terecht de betekeningskosten van € 45 in rekening gebracht.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanmaningskosten van € 8 en de kosten van het dwangbevel van € 45 in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. B.W. Liu, griffier op 16 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Hoge Raad van 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:785, rechtsoverweging 4.3.2.
Hoge Raad van 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875 rechtsoverweging 2.5.1.