Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-02-19
ECLI:NL:RBZWB:2024:1753
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
917 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 10803936 \ MB VERZ 23-623
CJIB-nummer : 2062 5422 5566 3070
uitspraakdatum : 19 februari 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 19 februari 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de Zoete Inval te Breda op 7 februari 2023 om 23:17 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht en het boetebedrag te hoog is, gelet op de financiële situatie van betrokkene. Betrokkene stelt niet staande te zijn gehouden en wil graag bewijs zien van de gedraging. Voorts stelt betrokkene de sanctie niet te kunnen betalen en dat er al een maandelijkse afbetaalregeling is.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht de zekerheid op nihil te stellen en het beroep gegrond te verklaren. Daartoe heeft de zittingsvertegenwoordiger het volgende aangevoerd. Betrokkene blijkt een maandelijkse draagkrachtregeling met het CJIB te hebben. Daarbij heeft betrokkene ook contact met een schuldhulpverlener. De zittingsvertegenwoordiger stelt dat er geen sprake is geweest van een staandehouding en de enkele verklaring van de verbalisant dat hij bezig was met andere werkzaamheden in verband met een NAC-wedstrijd, onvoldoende is om af te zien van een staandehouding.
Overwegingen
Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de verklaring van de verbalisant dat hij andere werkzaamheden had in verband met een NAC-wedstrijd geen gegronde reden om van staandehouding af te zien. Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd.
Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.I. Beudeker, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2024.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: