Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-12
ECLI:NL:RBZWB:2024:1662
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
870 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/1687 AOW VV
uitspraak van 12 maart 2024 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker,
en
De Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder.
Procesverloop
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
2. Met het bestreden besluit van 14 december 2023 heeft de SVB aan verzoeker meegedeeld dat de herziening van de AOW-toeslag en de terugvordering gehandhaafd blijft. Verzoeker heeft beroep aangetekend tegen dit besluit. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
3. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Overwegingen
4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
5. Uit navraag bij de SVB is gebleken dat verzoeker op 20 december 2023 de gehele vordering in een keer heeft terugbetaald. De griffier heeft op 20 februari 2024 telefonisch met verzoeker gesproken over wat hij wil bereiken met zijn voorlopige voorziening. Ook is gesproken over de vraag of er sprake is van een spoedeisend belang. Met de brief van 23 februari 2024 heeft verzoeker schriftelijk nog een toelichting gegeven op het spoedeisend belang en wat hij wil bereiken met de voorlopige voorziening.
6. Verzoeker heeft in zijn brief van 23 februari 2024 aangevoerd dat het teruggevorderde bedrag hoger is dan aan hem is uitgekeerd. Ook is op de jaaropgave van 2023 geen rekening gehouden met het door hem terugbetaalde bedrag. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om te bepalen dat het gevorderde bedrag aan hem wordt terugbetaald. Als dat niet kan verzoekt hij om te bepalen dat het verschil tussen de bruto en netto vordering aan hem wordt terugbetaald.
7. Met deze gegeven toelichting is onvoldoende gebleken dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter. Hoewel zijn verzoek begrijpelijk is, zijn dit aspecten die in de beroepsprocedure aan de orde kunnen komen. Uit zijn brief van 23 februari 2024 blijkt niet dat verzoeker een uitspraak in de beroepszaak niet zou kunnen afwachten. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier op 12 maart 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.