Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-12
ECLI:NL:RBZWB:2024:1659
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
778 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/2445 OPIUMW
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. R. Wouters),
en
de burgemeester van de gemeente Hulst, verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Woonstichting Hulst uit Hulst.
Procesverloop
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 februari 2024 (bestreden besluit) van de burgemeester tot sluiting van een woning aan [adres] te [plaats] voor een periode van 3 maanden. Zij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Verzoekster heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 11 maart 2024 ingediend bij de rechtbank. In het bestreden besluit – dat verzonden is op 1 maart 2024 – staat dat de burgemeester voornemens is om de woning per 18 maart 2024 te sluiten. De rechtbank heeft na ontvangst van het verzoek contact opgenomen met de burgemeester met de vraag of de burgemeester bereid is om de uitspraak van de voorzieningenrechter af te wachten. De burgemeester heeft op 12 maart 2024 aangegeven daartoe niet bereid te zijn.
3. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter op deze korte termijn niet in staat om – voorafgaand aan de sluiting van de woning – een weloverwogen oordeel te geven over het verzoek om een voorlopige voorziening. Gelet daarop zal de voorzieningenrechter de werking van het bestreden besluit bij ordemaatregel schorsen tot uiterlijk twee weken na de zitting waarop het verzoek zal worden behandeld. Dat betekent dat de burgemeester de woning tot die tijd niet mag sluiten. Deze ordemaatregel heeft een voorlopig karakter en de voorzieningenrechter is daar in de verdere procedure niet aan gebonden.
Dictum
De voorzieningenrechter schorst de werking van het besluit van 27 februari 2024 tot uiterlijk twee weken na de zitting waarop het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden behandeld.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier op 12 maart 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.