Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-12
ECLI:NL:RBZWB:2024:1573
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
9,140 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/1564
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2024 in de zaak tussen
[namen verzoekers] , uit [woonplaats verzoekers] , verzoekers
(gemachtigde: mr. T. Roggenkamp),
en
De burgemeester van de gemeente Roosendaal, verweerder
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam woningstichting]
, te [vestigingsplaats woningstichting] .
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het besluit van 2 februari 2024 (bestreden besluit).
1.1.
Met het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoekers op grond van artikel 13b van de Opiumwet gelast de woning en het bijbehorende erf aan [adres verzoekers] te [woonplaats verzoekers] te sluiten en gedurende drie maanden afgesloten te houden, op straffe van de toepassing van bestuursdwang. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde, de gemachtigde van de burgemeester, samen met [namen vertegenwoordigers] namens [naam woningstichting] . Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
1.3.
Tijdens de zitting heeft de burgemeester toegelicht dat met de sluiting van het bijbehorende erf ook het schuurtje is bedoeld. Verzoekers hadden dat ook zo begrepen.
Totstandkoming van het besluit
2. Verzoekers wonen samen met hun zoon in een rijwoning aan [adres verzoekers] te [woonplaats verzoekers] . Daarnaast is de dochter van verzoekster ingeschreven op dit adres. Verzoekers huren de woning van [naam woningstichting] . Op het perceel staan een woning en een schuur.
2.1.
Op 19 december 2023 heeft de politie in de woning onder meer 1.502 gram hennep aangetroffen. In de schuur zijn onder meer 2.440 gram hasj, 3.024 gram hennep, 3.002 gram 4CMC, 44 gram 3CMC, 35 gram amfetamine, 686 gram MDMA en 3.940 XTC-pillen aangetroffen. Hennep en hasj zijn softdrugs en staan op lijst II behorend bij de Opiumwet. De werkzame stoffen in overige hiervoor vermelde middelen zijn harddrugs en staan op lijst I behorend bij de Opiumwet.
2.2.
Met een brief van 28 december 2023 heeft de burgemeester verzoekers medegedeeld dat hij van plan is om gebruik te maken van de bevoegdheid om verzoekers op grond van artikel 13b van de Opiumwet te gelasten de woning en de schuur te sluiten en afgesloten te houden voor de duur van drie maanden, op straffe van toepassing van bestuursdwang.
2.3.
Verzoekers hebben hun zienswijze over dat voornemen naar voren gebracht.
2.4.
De burgemeester heeft in de zienswijze van verzoekers geen aanleiding gezien om af te wijken van het voornemen. Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoekers gelast de woning en het bijbehorende erf met ingang van 12 februari 2024 voor een periode van drie maanden te sluiten en afgesloten te houden. Wanneer de woning op dat moment niet is afgesloten, zal de burgemeester het pand met toepassing van bestuursdwang laten afsluiten.
2.5.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.6.
In reactie op het verzoek om voorlopige voorziening heeft de burgemeester op 9 februari 2024 aan de voorzieningenrechter medegedeeld dat hij de begunstigingstermijn verlengt tot twee dagen nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
Beoordeling
Spoedeisend belang
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1.
Gelet op de aard van de zaak is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken van een spoedeisend belang van verzoekers bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Beoordeling
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Bevoegdheid
5. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als in een woning of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
5.1.
Als uitgangspunt geldt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram van een middel op lijst I (harddrugs) of 5,0 gram van een middel op lijst II (softdrugs), de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.
5.2.
Verzoekers hebben niet weersproken dat de hoeveelheid middelen die de politie op 19 december 2023 in de woning en schuur heeft aangetroffen, de hoeveelheid van 0,5 gram harddrugs en 5,0 gram softdrugs (ruimschoots) overschrijdt en dat sprake was van een handelshoeveelheid harddrugs en softdrugs.
5.3.
De voorzieningenrechter stelt daarom vast dat de bevoegdheid van de burgemeester om de woning en het bijbehorende erf op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten gegeven is.
Beleid
6. De burgemeester gebruikt voor de invulling van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet het beleid dat is neergelegd in het Damoclesbeleid district de Markiezaten/Roosendaal 2020 (het beleid). Daarin is (samengevat) bepaald dat als in een woning een handelshoeveelheid softdrugs wordt aangetroffen, de burgemeester bij een eerste overtreding volstaat met een waarschuwing, tenzij sprake is van een ‘ernstig geval’. Als in een woning een handelshoeveelheid harddrugs wordt aangetroffen, volgt bij een eerste overtreding een sluiting voor de duur van drie maanden.
6.1.
De burgemeester heeft verzoekers gelast de woning en het bijbehorende erf te sluiten en afgesloten te houden voor de duur van drie maanden, omdat in de woning meer dan 1,5 kilo softdrugs en in de schuur een nog ruimere handelshoeveelheid softdrugs en harddrugs is aangetroffen.
Evenredigheid
7. Uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb volgt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Dit is het evenredigheidsbeginsel. Bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt een onderscheid gemaakt tussen de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid.
7.1.
Verzoekers hebben de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van het besluit tot sluiting van de woning betwist. De sluiting van het schuurtje wordt door hen niet bestreden.
Noodzakelijkheid
7.2.
Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting is de vraag aan de orde of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de "loop" naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken.
7.3.
De burgemeester vindt sluiting van de woning en de schuur noodzakelijk voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in de nabije omgeving en het herstel van de openbare orde. De burgemeester heeft er daarbij op gewezen dat er een zeer grote hoeveelheid hard- en softdrugs is aangetroffen. Daarnaast zijn er in de woning en de schuur voorwerpen aangetroffen die duiden op handel, namelijk een grote hoeveelheid contant geld, meerdere telefoons, een weegschaaltje, gripzakjes, sealbags en postverpakkingen. Daarnaast is in het schuurtje een automatisch vuurwapen aangetroffen. Verder zijn er meldingen ontvangen bij Meld Misdaad Anoniem en ligt de woning in een kwetsbare woonwijk, waarin eerder woningen zijn gesloten wegens de aanwezigheid van handelshoeveelheden drugs.
7.4.
Verzoekers hebben aangevoerd dat de noodzaak tot sluiten van de woning ontbreekt. Dat er daadwerkelijk sprake was van een loop is op geen enkele manier onderbouwd. Daarnaast volgt uit het feit dat de woning niet meteen gesloten is, dat de woningsluiting niet tot doel had om de loop van en naar het pand weg te halen. Het is ook niet te verwachten dat verzoeker opnieuw een misstap begaat. Verzoeker is verdachte in een strafzaak en de politie let daarom extra op hem. Tot slot had de burgemeester een onderscheid moeten maken tussen de woning en de schuur en had ten aanzien van de woning kunnen volstaan met een waarschuwing. De schuur staat los van de woning, aan het eind van de achtertuin en heeft een eigen deur. Er is daarnaast ook geen functionele samenhang. Dat volgt uit het feit dat er in de woning een ander soort drugs is aangetroffen dan in de schuur. In de woning is alleen softdrugs aangetroffen. Op grond van het beleid volgt in geval van het aantreffen van softdrugs in een woning alleen een waarschuwing.
7.5.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat in of vanuit het pand drugs werden verhandeld, gelet op de aanwezigheid van verschillende soorten soft- en harddrugs in combinatie met de aanwezigheid van attributen waarvan niet is weersproken dat ze duiden op handel. Daarbij komt dat de hoeveelheden aangetroffen drugs niet gering zijn, dat er een automatisch vuurwapen met munitie is aangetroffen en dat, naar verzoekers niet hebben weersproken, de woning in een kwetsbare woonwijk ligt. De burgemeester heeft daarom sluiting noodzakelijk kunnen vinden om het woon- en leefklimaat te beschermen en de openbare orde te herstellen. Dat verzoekers de kans op herhaling klein inschatten, betekent niet dat de noodzaak tot sluiting is komen te vervallen. Een kleine kans op herhaling neemt immers niet weg dat het pand eerder wel voor drugshandel gebruikt is en als zodanig bekend zal staan. Het tijdsverloop tussen het aantreffen van de drugs en het voornemen en besluit tot sluiting is niet zodanig dat het zou moeten leiden tot twijfel aan de noodzakelijkheid van de sluiting. Daarbij heeft de burgemeester ook de sluiting van de woning noodzakelijk kunnen vinden en heeft hij voor de woning niet hoeven volstaan met een waarschuwing. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om verzoekers te volgen in hun stelling dat onvoldoende is gebleken van een functionele samenhang tussen de woning en de schuur. Te minder omdat er net zoals in de schuur, ook in de woning een zeer ruime hoeveelheid drugs is gevonden en voorwerpen die duiden op handel, namelijk zeven telefoons en meerdere enveloppen met daarin contant geld met vermelding van het soort drugs op de envelop.
Evenwichtigheid
7.6.
De burgemeester moet vervolgens nagaan of de sluiting evenwichtig is. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon.
Conclusie
8. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er geen sprake van een situatie dat de nadelige gevolgen van het besluit voor verzoekers onevenredig zijn in verhouding tot de met de sluiting te dienen doelen.
8.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Dat betekent dat de last onder bestuursdwang om de woning en het (bijhehorende erf met het) schuurtje te sluiten en gedurende drie maanden afgesloten te houden, in stand blijft. Er is geen aanleiding om ambtshalve een begunstigingstermijn te bepalen, aangezien de burgemeester ter zitting heeft toegezegd in onderling overleg met verzoekers een ingangsdatum voor de sluiting te zullen bepalen.
8.2.
Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 12 maart 2024 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Opiumwet
Artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a van de Opiumwet bepaalt dat de burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
Beleid
De burgemeester heeft invulling gegeven aan de bevoegdheid die hem op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet toekomt, door middel van vaststelling van het Damoclesbeleid district de Markiezaten/Roosendaal 2020.
Het beleid vermeldt:
Om de handelshoeveelheid te bepalen, wordt aangesloten bij de aanwijzing Opiumwet van het college van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie. Bij de volgende aantallen is er sprake van een handelshoeveelheid:
Softdrugs
• Hennepproducten: Bij een hoeveelheid van meer dan 5 planten wordt in beginsel aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Tevens wordt meer dan 5 gram als handelshoeveelheid gehanteerd;
• (…).
Harddrugs
• Er is sprake van een handelshoeveelheid als er sprake is van een aangetroffen ` hoeveelheid van meer dan 0,5 gram (bijvoorbeeld als er sprake is van meer dan één bolletje, één ampul, één wikkel, één pil/tablet);
• (…).
5.2.
Woningen en bijbehorende erven
Harddrugs
Indien zich een situatie voordoet zoals bedoeld in artikel 13b lid 1 onder a dan wel artikel 13b lid 1 onder b Opiumwet, neemt de burgemeester de volgende maatregelen:
1e overtreding
Handelshoeveelheid
Sluiting voor 3 maanden
Softdrugs
Indien zich een situatie voordoet zoals bedoeld in artikel 13b lid 1 onder a dan wel artikel 13b lid 1 onder b Opiumwet, neemt de burgemeester de volgende maatregelen:
1e overtreding
Handelshoeveelheid
Waarschuwing, tenzij ernstig geval sluiting voor 2 maanden
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1698
Zie Afdeling 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285
Afdeling 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910
Afdeling 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 en 16 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:752
Afdeling 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1142
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/1564
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2024 in de zaak tussen
[namen verzoekers] , uit [woonplaats verzoekers] , verzoekers
(gemachtigde: mr. T. Roggenkamp),
en
De burgemeester van de gemeente Roosendaal, verweerder
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam woningstichting]
, te [vestigingsplaats woningstichting] .
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het besluit van 2 februari 2024 (bestreden besluit).
1.1.
Met het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoekers op grond van artikel 13b van de Opiumwet gelast de woning en het bijbehorende erf aan [adres verzoekers] te [woonplaats verzoekers] te sluiten en gedurende drie maanden afgesloten te houden, op straffe van de toepassing van bestuursdwang. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde, de gemachtigde van de burgemeester, samen met [namen vertegenwoordigers] namens [naam woningstichting] . Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
1.3.
Tijdens de zitting heeft de burgemeester toegelicht dat met de sluiting van het bijbehorende erf ook het schuurtje is bedoeld. Verzoekers hadden dat ook zo begrepen.
Totstandkoming van het besluit
2. Verzoekers wonen samen met hun zoon in een rijwoning aan [adres verzoekers] te [woonplaats verzoekers] . Daarnaast is de dochter van verzoekster ingeschreven op dit adres. Verzoekers huren de woning van [naam woningstichting] . Op het perceel staan een woning en een schuur.
2.1.
Op 19 december 2023 heeft de politie in de woning onder meer 1.502 gram hennep aangetroffen. In de schuur zijn onder meer 2.440 gram hasj, 3.024 gram hennep, 3.002 gram 4CMC, 44 gram 3CMC, 35 gram amfetamine, 686 gram MDMA en 3.940 XTC-pillen aangetroffen. Hennep en hasj zijn softdrugs en staan op lijst II behorend bij de Opiumwet. De werkzame stoffen in overige hiervoor vermelde middelen zijn harddrugs en staan op lijst I behorend bij de Opiumwet.
2.2.
Met een brief van 28 december 2023 heeft de burgemeester verzoekers medegedeeld dat hij van plan is om gebruik te maken van de bevoegdheid om verzoekers op grond van artikel 13b van de Opiumwet te gelasten de woning en de schuur te sluiten en afgesloten te houden voor de duur van drie maanden, op straffe van toepassing van bestuursdwang.
2.3.
Verzoekers hebben hun zienswijze over dat voornemen naar voren gebracht.
2.4.
De burgemeester heeft in de zienswijze van verzoekers geen aanleiding gezien om af te wijken van het voornemen. Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoekers gelast de woning en het bijbehorende erf met ingang van 12 februari 2024 voor een periode van drie maanden te sluiten en afgesloten te houden. Wanneer de woning op dat moment niet is afgesloten, zal de burgemeester het pand met toepassing van bestuursdwang laten afsluiten.
2.5.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.6.
In reactie op het verzoek om voorlopige voorziening heeft de burgemeester op 9 februari 2024 aan de voorzieningenrechter medegedeeld dat hij de begunstigingstermijn verlengt tot twee dagen nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
Beoordeling
Spoedeisend belang
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1.
Gelet op de aard van de zaak is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken van een spoedeisend belang van verzoekers bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Beoordeling
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Bevoegdheid
5. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als in een woning of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
5.1.
Als uitgangspunt geldt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram van een middel op lijst I (harddrugs) of 5,0 gram van een middel op lijst II (softdrugs), de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.
5.2.
Verzoekers hebben niet weersproken dat de hoeveelheid middelen die de politie op 19 december 2023 in de woning en schuur heeft aangetroffen, de hoeveelheid van 0,5 gram harddrugs en 5,0 gram softdrugs (ruimschoots) overschrijdt en dat sprake was van een handelshoeveelheid harddrugs en softdrugs.
5.3.
De voorzieningenrechter stelt daarom vast dat de bevoegdheid van de burgemeester om de woning en het bijbehorende erf op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten gegeven is.
Beleid
6. De burgemeester gebruikt voor de invulling van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet het beleid dat is neergelegd in het Damoclesbeleid district de Markiezaten/Roosendaal 2020 (het beleid). Daarin is (samengevat) bepaald dat als in een woning een handelshoeveelheid softdrugs wordt aangetroffen, de burgemeester bij een eerste overtreding volstaat met een waarschuwing, tenzij sprake is van een ‘ernstig geval’. Als in een woning een handelshoeveelheid harddrugs wordt aangetroffen, volgt bij een eerste overtreding een sluiting voor de duur van drie maanden.
6.1.
De burgemeester heeft verzoekers gelast de woning en het bijbehorende erf te sluiten en afgesloten te houden voor de duur van drie maanden, omdat in de woning meer dan 1,5 kilo softdrugs en in de schuur een nog ruimere handelshoeveelheid softdrugs en harddrugs is aangetroffen.
Evenredigheid
7. Uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb volgt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Dit is het evenredigheidsbeginsel. Bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt een onderscheid gemaakt tussen de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid.
7.1.
Verzoekers hebben de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van het besluit tot sluiting van de woning betwist. De sluiting van het schuurtje wordt door hen niet bestreden.
Noodzakelijkheid
7.2.
Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting is de vraag aan de orde of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de "loop" naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken.
7.3.
De burgemeester vindt sluiting van de woning en de schuur noodzakelijk voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in de nabije omgeving en het herstel van de openbare orde. De burgemeester heeft er daarbij op gewezen dat er een zeer grote hoeveelheid hard- en softdrugs is aangetroffen. Daarnaast zijn er in de woning en de schuur voorwerpen aangetroffen die duiden op handel, namelijk een grote hoeveelheid contant geld, meerdere telefoons, een weegschaaltje, gripzakjes, sealbags en postverpakkingen. Daarnaast is in het schuurtje een automatisch vuurwapen aangetroffen. Verder zijn er meldingen ontvangen bij Meld Misdaad Anoniem en ligt de woning in een kwetsbare woonwijk, waarin eerder woningen zijn gesloten wegens de aanwezigheid van handelshoeveelheden drugs.
7.4.
Verzoekers hebben aangevoerd dat de noodzaak tot sluiten van de woning ontbreekt. Dat er daadwerkelijk sprake was van een loop is op geen enkele manier onderbouwd. Daarnaast volgt uit het feit dat de woning niet meteen gesloten is, dat de woningsluiting niet tot doel had om de loop van en naar het pand weg te halen. Het is ook niet te verwachten dat verzoeker opnieuw een misstap begaat. Verzoeker is verdachte in een strafzaak en de politie let daarom extra op hem. Tot slot had de burgemeester een onderscheid moeten maken tussen de woning en de schuur en had ten aanzien van de woning kunnen volstaan met een waarschuwing. De schuur staat los van de woning, aan het eind van de achtertuin en heeft een eigen deur. Er is daarnaast ook geen functionele samenhang. Dat volgt uit het feit dat er in de woning een ander soort drugs is aangetroffen dan in de schuur. In de woning is alleen softdrugs aangetroffen. Op grond van het beleid volgt in geval van het aantreffen van softdrugs in een woning alleen een waarschuwing.
7.5.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat in of vanuit het pand drugs werden verhandeld, gelet op de aanwezigheid van verschillende soorten soft- en harddrugs in combinatie met de aanwezigheid van attributen waarvan niet is weersproken dat ze duiden op handel. Daarbij komt dat de hoeveelheden aangetroffen drugs niet gering zijn, dat er een automatisch vuurwapen met munitie is aangetroffen en dat, naar verzoekers niet hebben weersproken, de woning in een kwetsbare woonwijk ligt. De burgemeester heeft daarom sluiting noodzakelijk kunnen vinden om het woon- en leefklimaat te beschermen en de openbare orde te herstellen. Dat verzoekers de kans op herhaling klein inschatten, betekent niet dat de noodzaak tot sluiting is komen te vervallen. Een kleine kans op herhaling neemt immers niet weg dat het pand eerder wel voor drugshandel gebruikt is en als zodanig bekend zal staan. Het tijdsverloop tussen het aantreffen van de drugs en het voornemen en besluit tot sluiting is niet zodanig dat het zou moeten leiden tot twijfel aan de noodzakelijkheid van de sluiting. Daarbij heeft de burgemeester ook de sluiting van de woning noodzakelijk kunnen vinden en heeft hij voor de woning niet hoeven volstaan met een waarschuwing. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om verzoekers te volgen in hun stelling dat onvoldoende is gebleken van een functionele samenhang tussen de woning en de schuur. Te minder omdat er net zoals in de schuur, ook in de woning een zeer ruime hoeveelheid drugs is gevonden en voorwerpen die duiden op handel, namelijk zeven telefoons en meerdere enveloppen met daarin contant geld met vermelding van het soort drugs op de envelop.
Evenwichtigheid
7.6.
De burgemeester moet vervolgens nagaan of de sluiting evenwichtig is. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon.
Conclusie
8. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er geen sprake van een situatie dat de nadelige gevolgen van het besluit voor verzoekers onevenredig zijn in verhouding tot de met de sluiting te dienen doelen.
8.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Dat betekent dat de last onder bestuursdwang om de woning en het (bijhehorende erf met het) schuurtje te sluiten en gedurende drie maanden afgesloten te houden, in stand blijft. Er is geen aanleiding om ambtshalve een begunstigingstermijn te bepalen, aangezien de burgemeester ter zitting heeft toegezegd in onderling overleg met verzoekers een ingangsdatum voor de sluiting te zullen bepalen.
8.2.
Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 12 maart 2024 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Opiumwet
Artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a van de Opiumwet bepaalt dat de burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
Beleid
De burgemeester heeft invulling gegeven aan de bevoegdheid die hem op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet toekomt, door middel van vaststelling van het Damoclesbeleid district de Markiezaten/Roosendaal 2020.
Het beleid vermeldt:
Om de handelshoeveelheid te bepalen, wordt aangesloten bij de aanwijzing Opiumwet van het college van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie. Bij de volgende aantallen is er sprake van een handelshoeveelheid:
Softdrugs
• Hennepproducten: Bij een hoeveelheid van meer dan 5 planten wordt in beginsel aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Tevens wordt meer dan 5 gram als handelshoeveelheid gehanteerd;
• (…).
Harddrugs
• Er is sprake van een handelshoeveelheid als er sprake is van een aangetroffen ` hoeveelheid van meer dan 0,5 gram (bijvoorbeeld als er sprake is van meer dan één bolletje, één ampul, één wikkel, één pil/tablet);
• (…).
5.2.
Woningen en bijbehorende erven
Harddrugs
Indien zich een situatie voordoet zoals bedoeld in artikel 13b lid 1 onder a dan wel artikel 13b lid 1 onder b Opiumwet, neemt de burgemeester de volgende maatregelen:
1e overtreding
Handelshoeveelheid
Sluiting voor 3 maanden
Softdrugs
Indien zich een situatie voordoet zoals bedoeld in artikel 13b lid 1 onder a dan wel artikel 13b lid 1 onder b Opiumwet, neemt de burgemeester de volgende maatregelen:
1e overtreding
Handelshoeveelheid
Waarschuwing, tenzij ernstig geval sluiting voor 2 maanden
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1698
Zie Afdeling 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285
Afdeling 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910
Afdeling 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 en 16 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:752
Afdeling 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1142