Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-11
ECLI:NL:RBZWB:2023:9526
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,511 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Bergen op Zoom
zaaknummer : 10589176 \ MB VERZ 23-226
CJIB-nummer : 4062 5422 4642 2119
uitspraakdatum : 11 december 2023
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene] B.V.
adres : [adres]
woonplaats : [postcode] [plaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 11 december 2023. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: signalen geven in een ander geval of op andere manier dan mag op de A17 te Moerdijk op 17 december 2021 om 14:59 uur.
Gemachtigde heeft namens betrokkene in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Het voertuig waarmee de overtreding zou zijn begaan, is een elektrische auto en produceert helemaal geen geluid. Betrokkene herkent ook helemaal geen enkele situatie wat een dergelijke boete zou kunnen verklaren en betrokkene gaat uit van een misverstand. De situatie zoals deze wordt geschetst door de verbalisant, roept bij betrokkene de vraag op waarom hij betrokkene niet heeft staandegehouden, omdat de situatie zeer ernstig is zoals omschreven. Daarnaast, indien betrokkene onnodig zou claxonneren, zou betrokkene hiervoor een proces-verbaal feitcode R419 meer op zijn plaats zijn.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat de gedraging twee jaar geleden is en dat hij niet alle details meer scherp heeft. Gemachtigde heeft gelezen wat de verbalisant constateerde en schrok hiervan. Ook stelt gemachtigde dat de verbalisant de constatering snel heeft gedaan. Gemachtigde sluit niet uit dat hij de gedraging niet heeft verricht, maar hij herkent de situatie niet.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De feitcode is intussen al bij de beslissing van de officier van justitie gewijzigd, waardoor betrokkene enkel € 109,- aan zekerheid heeft gesteld. Ook is staandehouding het uitgangspunt, mits hiertoe geen reële mogelijkheid bestaat. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de verbalisant heeft afgezien omdat hij de andere richting op reed. Hieruit blijkt volgens de zittingsvertegenwoordiger voldoende dat er geen mogelijkheid tot staandehouding bestond. De verbalisant heeft zijn waarneming uitgebreid omschreven, waardoor de gedraging vaststaat.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De kantonrechter acht, gelet op de aanvulling van gemachtigde ter zitting, onaannemelijk dat het ongewenst rijgedrag niet aan betrokkene kan worden toegerekend. De gedragingen die door de verbalisant zijn waargenomen, kunnen in een korte tijd geconstateerd worden. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Volgens het zaakoverzicht heeft de verbalisant afgezien van de staandehouding omdat hij de andere richting op reed. Naar het oordeel van de kantonrechter was er dan ook geen reële mogelijkheid tot staandehouding. De boete is dus terecht opgelegd aan de kentekenhouder.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Dictum
De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.B. Scheltema Beduin, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2023.
Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, Postbus 67, 4330 AB Middelburg. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.