Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-04
ECLI:NL:RBZWB:2023:9502
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,384 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer.: 10093944 \ MB VERZ 22-866
CJIB-nummer: 0062 5422 4521 4096
uitspraakdatum: 4 december 2023
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [postcode] [plaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. N.G.A. Voorbach (verkeersboete.nl)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 december 2023. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene en gemachtigde zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: geen voortdurend zichtbaar wit/geel licht aan de voorzijde en/of zichtbaar rood licht aan de achterzijde van de fiets voeren op de Enschotsebaan te Berkel-Enschot op 24 oktober 2021 om 20:15 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift niets aangevoerd. In het aanvullend beroepschrift van 15 november 2023 voert gemachtigde namens betrokkene slechts aan dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en verzoekt om het beroep gegrond te verklaren of de sanctie te matigen met 25% en proceskostenvergoeding toe te wijzen op de rekening van gemachtigde.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en de sanctie te matigen met 25% aangezien de redelijke termijn is overschreden. De zittingsvertegenwoordiger stelt dat de onrechtmatigheid niet aan het bestuursorgaan te wijten is en ziet daardoor geen reden om een proceskostenvergoeding toe te wijzen aan gemachtigde. Indien de kantonrechter wel een proceskostenvergoeding toe wil wijzen aan gemachtigde, dan verzoekt de zittingsvertegenwoordiger alleen proceskostenvergoeding toe te kennen voor de kantonfase.
Overwegingen
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Er zijn ook geen inhoudelijke gronden aangevoerd. De boete is dus terecht opgelegd en het beroep is inhoudelijk ongegrond.
Overschrijding redelijke termijn
Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete op 27 oktober 2021 verzonden en is de redelijke termijn dus met meer dan een maand overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Toekennen proceskostenvergoeding
Nu de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.
De kantonrechter zal een proceskostenvergoeding toekennen voor het indienen van het beroepschrift, te weten 1 punt x gewicht 0,5 x € 837,- = € 418,50.
Omdat op deze zitting meerdere zaken zijn behandeld van dezelfde gemachtigde, waarin sprake is van overschrijding van de redelijke termijn is er sprake van samenhangende zaken. Het betreft drie zaken (naast deze zaak de zaken met CJIB-nummers 1062 5422 4540 7810 en 5062 5422 4553 5896), waardoor de factor 1 van toepassing is. De toegekende proceskosten worden verdeeld over deze drie zaken: € 418,50 x factor samenhangende zaken 1 = € 418,50 / 3 zaken = € 139,50 per zaak.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 45,00 plus € 9,00 administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 15,00 dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 139,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2023.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: