Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-29
ECLI:NL:RBZWB:2023:9230
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,120 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/11598 WET VV
uitspraak van 29 december 2023 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,
gemachtigde: mr. H.F. van Boxel
en
de korpschef van de politie Zeeland-West-Brabant, verweerder.
Procesverloop
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 oktober 2023 (bestreden besluit) inzake de geweigerde toestemming als bedoeld in artikel 7, lid 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wpbr).
Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Verzoeker heeft zijn spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening onderbouwd met een verklaring van een boekhouder dat op basis van de door verzoeker verstrekte gegevens inzake de inkomsten en uitgaven in het gezin een financiële noodsituatie kan ontstaan. Verzoeker heeft aangegeven dat hij op dit moment alleen gedurende een beperkt aantal uren per week garderobewerkzaamheden kan verrichten in plaats van de veel beter betaalde beveiligingswerkzaamheden welke hij normaliter (full time) uitvoert. Per maand heeft hij nu € 2.954,-- aan inkomsten en € 3.422,-- aan uitgaven.
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningprocedure als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Voorts speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol. Nu bij de rechtbank beroep is ingesteld tegen het bestreden besluit, dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van een uitspraak op dat beroep. Er dient derhalve sprake te zijn van een zelfstandige spoedeisendheid bij een te treffen voorlopige voorziening en het moet niet alleen gaan om bespoediging van de afdoening van het beroep.
4. Het verzoek van verzoeker heeft de strekking dat de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepaalt dat verzoeker geacht moet worden te beschikken over de toestemming als bedoeld in artikel 7, lid 2 van de Wpbr. Het inwilligen van een dergelijke voorziening is te verstrekkend, maar kan niettemin aangewezen zijn indien sprake is van een financiële noodzaak. De voorzieningenrechter acht evenwel niet aannemelijk dat verzoeker over onvoldoende financiële middelen zal kunnen beschikken om de uitspraak van de rechtbank af te wachten. De aanvraag voor het verkrijgen van de toestemming dateert van 6 januari 2023, het primaire besluit tot weigering dateert van 10 juli 2023 en het bestreden besluit dateert van 23 oktober 2023. Dat betekent dat verzoeker zich al bijna een jaar financieel weet te redden zonder de door hem gewenste toestemming. Gelet hierop valt niet in te zien dat hij de uitspraak van de rechtbank op zijn beroep niet kan afwachten. Daarmee ontbeert dit verzoek om voorlopige voorziening een zelfstandig spoedeisend belang.
5. Omdat geen sprake is van onverwijlde spoed in vorenbedoelde zin zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 29 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
P.H.M. Verdonschot, griffier T. Peters, voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.