Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-12
ECLI:NL:RBZWB:2023:8876
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
973 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2698 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2023 op het verzet van
[opposant] , te [plaats] , opposant.
Procesverloop
Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 13 april 2023 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 14 september 2023 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het griffierecht niet tijdig was betaald.
In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat hij het griffierecht op 22 mei 2023, en daarmee tijdig, heeft betaald. Ter onderbouwing overlegt hij een betalingsbewijs.
De verzetrechter stelt vast dat opposant een overzicht met transactiedetails uit de digitale omgeving van de bank heeft overgelegd, waaruit blijkt dat op 22 mei 2023 een bedrag van € 50,- is overgemaakt naar het Landelijk Diensten Centrum Rechtspraak (LDCR) onder vermelding van een ander betalingskenmerk dan het betalingskenmerk dat in de aan opposant verzonden nota griffierecht stond. De laatste twee cijfers zijn namelijk omgedraaid. Uit navraag bij het LDCR is gebleken dat het door opposant vermelde betalingskenmerk hoorde bij een andere zaak en dat het door opposant betaalde bedrag als betaling van het griffierecht in die zaak is geregistreerd. Het bedrag is niet teruggestort.
Naar het oordeel van de verzetrechter is uit het voorgaande voldoende gebleken dat opposant de intentie heeft gehad het griffierecht in deze zaak te voldoen en dat de betaling ten onrechte als betaling van het griffierecht in de andere zaak is geregistreerd.
Uit wat opposant heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. De rechtbank heeft het LDCR verzocht het betaalde griffierecht over te boeken naar dit beroep.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van
B.C. van Sprundel-Thelosen, griffier, op 12 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.