Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-22
ECLI:NL:RBZWB:2023:8855
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,336 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/650
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende
(gesteld gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 17 januari 2023, betreffende de aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten 2019 met [aanslagnummer] voor het object [adres] te [plaats 2] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. De aanslag heeft als dagtekening 30 september 2021 en zou op diezelfde dag aan belanghebbende zijn verzonden.
4. Het bezwaarschrift, gedagtekend 6 december 2021, is op 9 december 2021 bij de heffingsambtenaar ontvangen.
5. Belanghebbende betwist de ontvangst en daarmee de verzending van de aanslag. Het is dan aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat de aanslag is verzonden. Daarbij is in ieder geval vereist dat de aanslag is voorzien van een juiste adressering en een verzenddatum en dat er sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.
6. De heffingsambtenaar heeft stukken overgelegd van Jetmail waaruit blijkt dat er opdracht is gegeven voor het versturen van aanslagen zuiveringsheffing en/of rioolheffing met dagtekening 30 september 2021. Jetmail biedt vervolgens – volgens de uitdraai van Jetmail – de aanslagen/beschikkingsbiljetten ter verzending aan aan PostNL.
7. De rechtbank oordeelt dat de overgelegde stukken niet zijn aan te merken als een deugdelijke verzendadministratie. Wil een verzendadministratie deugdelijk zijn, dan moet hieruit blijken wanneer het poststuk is aangeboden aan welk postvervoerbedrijf. Dat is hier niet het geval. Uit de overgelegde stukken blijkt niet wanneer de aanslag ter verzending aan een postvervoersbedrijf is aangeboden. De rechtbank kan geen aansluiting maken tussen het aanslagbiljet en de aanbiedingen aan Jetmail. Verder is geen afdoende bewijs geleverd van aanbieding aan PostNL. Een opdracht tot aflevering aan PostNL van een grote hoeveelheid aanslagbiljetten is daarvoor niet voldoende.
8. Nu geen deugdelijke verzendadministratie is overgelegd, is niet aannemelijk dat de aanslag is verzonden en daarmee op de juiste wijze bekend is gemaakt.
9. Het bezwaar is dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het beroep is kennelijk gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar moet alsnog inhoudelijk op het bezwaar beslissen.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt belanghebbende een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De heffingsambtenaar moet die vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5).
12. De rechtbank wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af, aangezien door deze uitspraak de behandeling in eerste aanleg nog niet is geëindigd.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 50,- aan belanghebbende te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 418,50;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 22 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Bijlage bij ECLI:NL:GHSHE:2021:3315