Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-08
ECLI:NL:RBZWB:2023:8821
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,533 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Eindhoven
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/214
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Minister.
Inleiding
1.1.
Belanghebbende heeft met dagtekening 6 augustus 2019, ontvangen door de inspecteur op 8 augustus 2019, bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2012 (de aanslag). De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en tevens in behandeling genomen als verzoek om ambtshalve vermindering (het verzoek). Hij heeft het verzoek afgewezen.
1.2.
Belanghebbende heeft op 10 december 2019 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
1.3.
De rechtbank heeft op 20 oktober 2022 het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard en het beroep tevens opgevat als bezwaar tegen de beslissing op het verzoek. De rechtbank heeft de inspecteur opgedragen om het beroepschrift van 10 december 2019 in behandeling te nemen als een bezwaarschrift tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag.
1.4.
De inspecteur heeft op 5 december 2022 het bezwaar van belanghebbende tegen het verzoek ongegrond verklaard. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen deze uitspraak op bezwaar.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] deelgenomen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag heeft afgewezen. Daarnaast beoordeelt de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag afgewezen. Belanghebbende heeft wel recht op vergoeding van immateriële schade. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
Heeft de inspecteur het verzoek terecht afgewezen?
4. Voor het indienen van een verzoek om ambtshalve vermindering van een aanslag geldt een termijn van vijf jaren na afloop van het einde van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft. Die termijn eindigde voor het jaar 2012 op 31 december 2017. Het verzoek om ambtshalve vermindering is na het einde van die termijn door de inspecteur ontvangen op 6 augustus 2019. Dit betekent dat het uitgangspunt is dat de inspecteur terecht het verzoek heeft afgewezen omdat het buiten de termijn is ingediend. Dat zou anders zijn indien de overschrijding van de termijn verschoonbaar is.
4.1.
Belanghebbende stelt dat hem voor de overschrijding van de vijfjaarstermijn geen verwijt kan worden gemaakt en de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De feiten en omstandigheden die door belanghebbende op de zitting naar voren zijn gebracht, zijn echter geen verschoonbare reden waarom er – al was het maar ter behoud van rechten – niet tijdig een verzoek om ambtshalve vermindering is ingediend. De overgelegde brief van de Luxemburgse sociale zekerheidsautoriteiten is immers al van 24 oktober 2016. De uitspraak van de rechtbank in de bestuursrechtelijke zaak was kennelijk ook geen reden voor het verzoek, deze is namelijk van een datum ver na het verzoek. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek om ambtshalve vermindering dan in beginsel terecht afgewezen..
4.2.
Belanghebbende verzoekt om de vijfjaarstermijn waarbinnen een verzoek om ambtshalve vermindering ingediend te worden buiten beschouwing te laten. Belanghebbende heeft zich ter zitting in dat kader beroepen op artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens. Hij stelt dat zijn recht op een eerlijk proces is geschonden omdat het evident is dat Nederland geen heffingsbevoegdheid toekomt voor de premies volksverzekeringen, omdat Luxemburg stelt heffingsbevoegd te zijn.
4.3.
De rechtbank overweegt dat er geen sprake is van een situatie waarbij door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) is meegewerkt aan een regularisatieverzoek en een overlegprocedure met de Luxemburgse autoriteiten heeft plaatsgevonden. De Svb heeft bij besluit van 15 september 2015 te kennen gegeven dat zij over 2012 niet meewerkt aan het sluiten van een regularisatieovereenkomst. Dat besluit is rechtens onaantastbaar. Bij brief van 1 november 2019 heeft belanghebbende de Svb verzocht om alsnog mee te werken aan het sluiten van een regularisatieovereenkomst over 2012. De Svb heeft dat verzoek afgewezen. De Centrale Raad van Beroep heeft beslist dat de Svb terecht niet is teruggekomen op haar beslissing om het verzoek van belanghebbende tot regularisatie af te wijzen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voor dat geval geen sprake van een situatie waarin Nederland evident geen heffingsbevoegdheid toekomt voor de premies volksverzekeringen. Van een bijzondere omstandigheid waardoor toepassing van de vijfjaarstermijn in strijd zou kunnen komen met het recht op een eerlijk proces, is daarom geen sprake.
4.4.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het verzoek om ambtshalve vermindering daarom terecht afgewezen in verband met overschrijding van de vijfjaarstermijn. De aanslag blijft in stand.
Immateriële schadevergoeding
5. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure. De rechtbank ziet aanleiding om een vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke beslistermijn toe te kennen. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijk behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.
Het bezwaarschrift van belanghebbende is ontvangen op 10 december 2019. Omdat de rechtbank uitspraak doet op 8 december 2023 heeft de procedure in totaal 48 maanden geduurd. De redelijke termijn is daarmee met 24 maanden overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van € 2.000. In de omstandigheden van dit geval ziet de rechtbank aanleiding om voor de aanvang van de bezwaarfase aan te sluiten bij het moment dat het bezwaar door de rechtbank is doorgezonden aan de inspecteur en de lange duur van het doorzenden voor rekening van de Minister te laten komen. Dit brengt mee dat de vergoeding geheel voor rekening van de Minister komt. De Minister is daarom in zoverre aangemerkt als partij in dit geding.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
6.1.
Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van het verzoek om immateriële schade. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde kent de rechtbank 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 837 en een wegingsfactor van 0,25. De proceskosten van € 210 moeten door de Minister worden vergoed. De Minister zal ook worden opgedragen om het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 2.000;
-veroordeelt de Minister tot het betalen van € 210 aan proceskosten aan belanghebbende;
- gelast dat de Minister het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A.J.M. Wouters, griffier, op 8 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Rechtbank Zeeland-West Brabant, 20 oktober 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:6033.
Artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in samenhang met artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
Centrale Raad van Beroep, 20 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1400.
Hoge Raad, 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
48 -/- 24.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.