Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-07
ECLI:NL:RBZWB:2023:8590
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,361 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/2625
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: Kosteloosbezwaar.nl, mr. J.W. Vugts),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen-Chaam, de heffingsambtenaar.
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld omdat de heffingsambtenaar volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar tegen de WOZ-beschikking voor het jaar 2022.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Feiten
Met dagtekening 25 februari 2022 heeft de heffingsambtenaar voor het jaar 2022 een WOZ-beschikking afgegeven aan de partner van belanghebbende.
Op verzoek van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar met dagtekening 22 september 2022 een medebelanghebbende-beschikking voor de WOZ afgegeven aan belanghebbende.
Belanghebbende stelt op 23 september 2022 een bezwaarschrift te hebben ingediend. Met dagtekening 24 januari 2023 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld.
Omdat de heffingsambtenaar niet op de ingebrekestelling heeft gereageerd heeft belanghebbende op 1 mei 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank.
De heffingsambtenaar heeft op 26 mei 2023 op het door belanghebbende ingestelde beroep gereageerd. In deze reactie betwist de heffingsambtenaar de ontvangst van een bezwaarschrift in september 2022. Wel stelt de heffingsambtenaar voor dat zij alsnog de gevraagde informatie aan belanghebbende stuurt, dat de rechtbank belanghebbende opdraagt alsnog bezwaargronden in te dienen en dat zij dan binnen zes weken zal beslissen. Bij dat voorstel gaat de heffingsambtenaar ervan uit dat belanghebbende het beroep niet tijdig beslissen zal intrekken.
Bij brief van 6 oktober 2023 heeft de rechtbank belanghebbende in de gelegenheid gesteld te reageren op de stelling van de heffingsambtenaar dat zij in september 2022 geen bezwaarschrift van belanghebbende heeft ontvangen.
Op 17 november 2023 heeft belanghebbende hierop gereageerd met de volgende verklaring:
“Wij hebben op 23 september 2022 een pro-forma bezwaarschrift ingediend bij de ABG. Vervolgens hebben wij geen taxatieverslag ontvangen. Met gevolg dat wij de belastingsamenwerking in gebreke hebben gesteld.”.
Het beroep niet tijdig beslissen heeft belanghebbende niet ingetrokken.
Beoordeling
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar niet is ontvangen en de ingebrekestelling en het beroep niet tijdig beslissen derhalve prematuur zijn. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Belanghebbende is, neemt de rechtbank aan, van mening dat de heffingsambtenaar een dwangsom is verschuldigd omdat zij niet tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan. De heffingsambtenaar betwist de ontvangst van een bezwaarschrift in september 2022 en stelt derhalve dat het beroep niet tijdig beslissen prematuur is ingesteld. Omdat de heffingsambtenaar de ontvangst van het bezwaarschrift betwist is het aan belanghebbende om de verzending daarvan aannemelijk te maken.
Belanghebbende heeft enkel gesteld dat zij op 23 september 2022 een bezwaarschrift aan de heffingsambtenaar heeft gestuurd. De stelling dat een bezwaarschrift is verstuurd is niet onderbouwd met enig bewijsstuk zoals een bewijs van (aangetekende) verzending.
Omdat de verzending van het bezwaarschrift in september 2022 niet aannemelijk is gemaakt is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende in september 2022 geen bezwaarschift heeft ingediend. Daardoor zijn nog geen termijnen gaan lopen. De ingebrekestelling met dagtekening 24 januari 2023, die wel door de heffingsambtenaar is ontvangen, is dan prematuur evenals het door belanghebbende ingestelde beroep niet tijdig beslissen.
Conclusie
Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier, op 7 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.