Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-04
ECLI:NL:RBZWB:2023:8571
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,263 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/409528 FA RK 23-2251
4 december 2023
beschikking betreffende voornaamswijziging
in de zaak van
[de moeder]
,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: moeder,
in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013 (hierna te noemen: [minderjarige] ),
advocaat mr. A. Elias.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 12 mei 2023 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- de akte met [nummer] van het jaar 2013 van het register van geboorten van de burgerlijke stand van de gemeente Tilburg;
- het op 5 juni 2023 ontvangen verweerschrift van de vader van [minderjarige] met bijlagen;
- de op 15 juni 2023 ontvangen instemmingsverklaring van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Tilburg;
- het F9-formulier van mr. Elias van 28 augustus 2023 met bijlage.
1.2. Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:
1. de [minderjarige] ;
2. de heer [vader] , vader van [minderjarige] (hierna te noemen: vader), bijgestaan door advocaat mr. E.M.A. Leijser;
3. de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Tilburg (hierna te noemen: de ambtenaar).
1.3. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 7 november 2023. Bij die gelegenheid zijn verschenen moeder en vader, bijgestaan door hun advocaten. Ten behoeve van moeder was tevens een tolk aanwezig. De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Tilburg is niet op de mondelinge behandeling verschenen.
1.4. [minderjarige] is gelet op haar leeftijd in de gelegenheid gesteld haar mening ten aanzien van het verzoek kenbaar te maken. Zij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Feiten
2.1.
In voormelde geboorteakte staat als voornaam van de minderjarige vermeld: ‘ [minderjarige] ’.
2.2.
De man heeft [minderjarige] erkend. Moeder en vader hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de man.
3Het verzoek
Het verzoek strekt tot wijziging van de voornaam van [minderjarige] in primair ‘ [naam] ’ en subsidiair ‘ [minderjarige] [naam] ’.
Beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 1:4 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan wijziging van de voornamen op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden gelast door de rechtbank.
4.2.
Artikel 1:253i lid 1 BW bepaalt dat wanneer sprake is van gezamenlijke gezagsuitoefening, de ouders het kind gezamenlijk vertegenwoordigen in burgerlijke handelingen, met dien verstande dat een ouder hiertoe alleen bevoegd is, mits niet van bezwaren van de andere ouder is gebleken.
4.3.
Ouders oefenen samen met het ouderlijk gezag uit over [minderjarige] . Vast staat dat moeder eenzijdig een verzoek tot wijziging van de voornaam van [minderjarige] heeft ingediend. Uit het verweerschrift en het verhandelde op de mondeling behandeling is gebleken dat vader bezwaren heeft tegen zowel het primaire als het subsidiaire verzoek van moeder.
De moeder heeft niet verzocht om vervangende toestemming ex artikel 1:253a BW.
Onder de gegeven omstandigheden acht de rechtbank de moeder niet bevoegd om [minderjarige] alleen te vertegenwoordigen met betrekking tot het verzoek tot voornaamswijziging. De rechtbank zal moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek.
Overigens acht de rechtbank het van belang op te merken dat beide ouders op de mondelinge behandeling desgevraagd hebben aangegeven een benoeming van een bijzondere curator in de onderhavige procedure niet wenselijk te achten, omdat voor hen beiden helder is dat [minderjarige] haar huidige naam ‘ [minderjarige] ’ zowel als roepnaam als officiële naam wenst te behouden.
Dictum
De rechtbank
verklaart moeder niet-ontvankelijk in het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, en in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 december 2023.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.