Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-11-10
ECLI:NL:RBZWB:2023:8546
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,968 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/387574 / FA RK 21-3278
beschikking d.d. 10 november 2023
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. W. Tiggelaar te Middelburg,
en
[de vrouw]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. N.J.R.M. Elings te Breda.
Ouders van het navolgend thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige] (roepnaam en hierna te noemen: [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad.
1. Het verdere procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de tussenbeschikking van 1 juli 2022, met de daarin genoemde stukken;
- het F9-formulier van mr. Tiggelaar d.d. 6 juli 2023, met bijlage;
- het F9-formulier van mr. Elings d.d. 11 juli 2023;
- het email-bericht van de Raad d.d. 12 juli 2023;
- het raadsrapport d.d. 29 september 2023, ingekomen d.d. 2 oktober 2023;
- het F9-formulier van mr. Elings d.d. 9 oktober 2023, met bijlagen.
1.2. De zaak is nader behandeld op de mondelinge behandeling van 12 oktober 2023. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad alsook een vertegenwoordigster van de GI. Gelet op de nauwe samenhang is onderhavige zaak gelijktijdig behandeld met het verzoek van de Raad in de zaak met zaaknummer C/02/414408 JE RK 23-1732. In die zaak is bij afzonderlijke beschikking beslist, inhoudende dat [minderjarige] onder toezicht is gesteld van de GI.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij beschikking van 1 juli 2022 heeft deze rechtbank een voorlopige omgangs-/ c.q. zorgregeling bepaald tussen de man en de minderjarige. Voorts heeft de rechtbank de Raad verzocht een aanvullend onderzoek in te stellen naar de verzoeken tot gezamenlijk gezag en de omgangsregeling. Thans liggen aldus nog voor de verzoeken van de man tot gezamenlijk gezag en vaststelling van een omgangs-/ c.q. zorgregeling alsook de door de vrouw bij F9-formulier van 9 oktober 2023 gedane aanvullende verzoeken inhoudende de man te veroordelen tot het meewerken aan onaangekondigde alcoholtesten in het kader van de begeleide omgang c.q. hulpverleningstraject tussen ouders, vaststelling van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige] en een verklaring voor recht dat de man instemt met verhuizing van de vrouw met [minderjarige] naar [plaats 2] en tot inschrijving op de [school] alsmede kinderopvang in [plaats 2] .
2.2.
Gelet op het bij voornoemde beschikking gelaste raadsonderzoek, heeft de Raad op 2 oktober 2023 een raadsrapport overgelegd en geadviseerd ten aanzien van de verzoeken van de man aangaande het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige] .
Gezag
2.3.
Op grond van artikel 1:253c, lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel kan dat verzoek, als de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, slechts worden afgewezen indien
a.) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen,
of
b.) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.4.
De Raad vindt dat partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag belast moeten worden. De Raad heeft de verwachting dat de ouders in het kader van de ondertoezichtstelling de nodige slagen op het gebied van hun onderlinge communicatie en samenwerking zullen behalen. Door gezamenlijk gezag kunnen beide ouders op een evenredige en gelijkwaardige wijze aangestuurd worden en hebben partijen en [minderjarige] de voor hen gewenste duidelijkheid.
2.5.
De man vindt het advies van de Raad duidelijk. Het is wenselijk dat ouders in het kader van de ondertoezichtstelling gelijkwaardig ten opzichte van de jeugdbeschermer komen te staan. De man wil graag betrokken zijn in het leven van [minderjarige] en de informatie van onder andere de school en opvang ontvangen.
2.6.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven in te kunnen stemmen met het verzoek van de man. De vrouw vindt het heel moeilijk, maar begrijpt het uitgangspunt van de wet en heeft geen argument waarom de man niet mede met het gezag zou kunnen worden belast.
2.7.
De rechtbank is gebleken dat niet (meer) in geschil is het verzoek van de man om mede te worden belast met het ouderlijk gezag. De rechtbank zal het verzoek van de man - overeenkomstig het advies van de Raad en gelet op de instemming van de vrouw - toewijzen. De rechtbank overweegt hiertoe dat met inachtneming van het vorenstaande en gelet op het uitgangspunt van de wet, er naar het oordeel van de rechtbank geen onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] bij uitoefening van het gezamenlijk gezag klem of verloren zal raken tussen de ouders. Evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld die maken dat toewijzing van het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag anderszins niet in het belang van [minderjarige] is. Het toewijzen van het gezamenlijk gezag geeft de man een gelijkwaardige rol ten opzichte van [minderjarige] . De rechtbank verwacht van partijen zij, met hulp en sturing van de GI, de nodig geachte stappen in hun onderlinge communicatie in het kader van de ondertoezichtstelling zullen zetten.
Ongeplande alcoholtesten en toestemming verhuizing
2.8.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man in het kader van het aanvullende verzoek van de vrouw aangegeven medewerking te willen verlenen aan (vier) ongeplande alcoholtesten de komende vier maanden tijdens de onbegeleide contactmomenten. Afgesproken met de GI is dat de man een half uur tot een kwartier voor het plaatsvinden van een onaangekondigde alcoholtest wordt gebeld, zodat hij ervoor kan zorgen dat hij op het moment van de afname van de alcoholtest thuis is dan wel kan aangeven waar elders de alcoholtest kan worden afgenomen. De rechtbank gaat er vanuit dat de hulpverlening erop toeziet dat de alcoholtesten worden afgenomen conform afspraak en dat de uitslag hiervan wordt teruggekoppeld naar de GI, zodat de rechtbank daar op een later moment in het kader van de ondertoezichtstelling desgewenst ook over geïnformeerd kan worden.
2.9.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man als reactie op de aanvullende verzoeken van de vrouw en de door haar uitgesproken wens te verhuizen naar [plaats 2] , aangegeven dat hij daar nog geen ‘ja’ op kan zeggen. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat de vrouw de man meeneemt in het proces ten aanzien van de verhuizing, dat zij samen met behulp van hulpverlening gaan bekijken wat de consequenties hiervan zijn voor [minderjarige] en op welke wijze dit (mogelijk) het beste vormgegeven kan worden.
Dictum
De rechtbank
bepaalt dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de [minderjarige]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat tussen de man en de genoemde minderjarige de navolgende definitieve zorgregeling zal gelden, welke zal worden opgebouwd conform de opbouwregeling zoals onder rechtsoverweging 2.12 genoemd; [minderjarige] verblijft bij de man eens in de veertien dagen van vrijdag 13:00 uur, of na schooltijd, tot zondag 18:30 uur, en de week waarin [minderjarige] niet bij de man verblijft zal er een (video)belcontact plaatsvinden op donderdag of vrijdag;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Noort, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 november 2023.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/387574 / FA RK 21-3278
beschikking d.d. 10 november 2023
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. W. Tiggelaar te Middelburg,
en
[de vrouw]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. N.J.R.M. Elings te Breda.
Ouders van het navolgend thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige] (roepnaam en hierna te noemen: [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad.
1. Het verdere procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de tussenbeschikking van 1 juli 2022, met de daarin genoemde stukken;
- het F9-formulier van mr. Tiggelaar d.d. 6 juli 2023, met bijlage;
- het F9-formulier van mr. Elings d.d. 11 juli 2023;
- het email-bericht van de Raad d.d. 12 juli 2023;
- het raadsrapport d.d. 29 september 2023, ingekomen d.d. 2 oktober 2023;
- het F9-formulier van mr. Elings d.d. 9 oktober 2023, met bijlagen.
1.2. De zaak is nader behandeld op de mondelinge behandeling van 12 oktober 2023. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad alsook een vertegenwoordigster van de GI. Gelet op de nauwe samenhang is onderhavige zaak gelijktijdig behandeld met het verzoek van de Raad in de zaak met zaaknummer C/02/414408 JE RK 23-1732. In die zaak is bij afzonderlijke beschikking beslist, inhoudende dat [minderjarige] onder toezicht is gesteld van de GI.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij beschikking van 1 juli 2022 heeft deze rechtbank een voorlopige omgangs-/ c.q. zorgregeling bepaald tussen de man en de minderjarige. Voorts heeft de rechtbank de Raad verzocht een aanvullend onderzoek in te stellen naar de verzoeken tot gezamenlijk gezag en de omgangsregeling. Thans liggen aldus nog voor de verzoeken van de man tot gezamenlijk gezag en vaststelling van een omgangs-/ c.q. zorgregeling alsook de door de vrouw bij F9-formulier van 9 oktober 2023 gedane aanvullende verzoeken inhoudende de man te veroordelen tot het meewerken aan onaangekondigde alcoholtesten in het kader van de begeleide omgang c.q. hulpverleningstraject tussen ouders, vaststelling van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige] en een verklaring voor recht dat de man instemt met verhuizing van de vrouw met [minderjarige] naar [plaats 2] en tot inschrijving op de [school] alsmede kinderopvang in [plaats 2] .
2.2.
Gelet op het bij voornoemde beschikking gelaste raadsonderzoek, heeft de Raad op 2 oktober 2023 een raadsrapport overgelegd en geadviseerd ten aanzien van de verzoeken van de man aangaande het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige] .
Gezag
2.3.
Op grond van artikel 1:253c, lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel kan dat verzoek, als de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, slechts worden afgewezen indien
a.) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen,
of
b.) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.4.
De Raad vindt dat partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag belast moeten worden. De Raad heeft de verwachting dat de ouders in het kader van de ondertoezichtstelling de nodige slagen op het gebied van hun onderlinge communicatie en samenwerking zullen behalen. Door gezamenlijk gezag kunnen beide ouders op een evenredige en gelijkwaardige wijze aangestuurd worden en hebben partijen en [minderjarige] de voor hen gewenste duidelijkheid.
2.5.
De man vindt het advies van de Raad duidelijk. Het is wenselijk dat ouders in het kader van de ondertoezichtstelling gelijkwaardig ten opzichte van de jeugdbeschermer komen te staan. De man wil graag betrokken zijn in het leven van [minderjarige] en de informatie van onder andere de school en opvang ontvangen.
2.6.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven in te kunnen stemmen met het verzoek van de man. De vrouw vindt het heel moeilijk, maar begrijpt het uitgangspunt van de wet en heeft geen argument waarom de man niet mede met het gezag zou kunnen worden belast.
2.7.
De rechtbank is gebleken dat niet (meer) in geschil is het verzoek van de man om mede te worden belast met het ouderlijk gezag. De rechtbank zal het verzoek van de man - overeenkomstig het advies van de Raad en gelet op de instemming van de vrouw - toewijzen. De rechtbank overweegt hiertoe dat met inachtneming van het vorenstaande en gelet op het uitgangspunt van de wet, er naar het oordeel van de rechtbank geen onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] bij uitoefening van het gezamenlijk gezag klem of verloren zal raken tussen de ouders. Evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld die maken dat toewijzing van het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag anderszins niet in het belang van [minderjarige] is. Het toewijzen van het gezamenlijk gezag geeft de man een gelijkwaardige rol ten opzichte van [minderjarige] . De rechtbank verwacht van partijen zij, met hulp en sturing van de GI, de nodig geachte stappen in hun onderlinge communicatie in het kader van de ondertoezichtstelling zullen zetten.
Ongeplande alcoholtesten en toestemming verhuizing
2.8.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man in het kader van het aanvullende verzoek van de vrouw aangegeven medewerking te willen verlenen aan (vier) ongeplande alcoholtesten de komende vier maanden tijdens de onbegeleide contactmomenten. Afgesproken met de GI is dat de man een half uur tot een kwartier voor het plaatsvinden van een onaangekondigde alcoholtest wordt gebeld, zodat hij ervoor kan zorgen dat hij op het moment van de afname van de alcoholtest thuis is dan wel kan aangeven waar elders de alcoholtest kan worden afgenomen. De rechtbank gaat er vanuit dat de hulpverlening erop toeziet dat de alcoholtesten worden afgenomen conform afspraak en dat de uitslag hiervan wordt teruggekoppeld naar de GI, zodat de rechtbank daar op een later moment in het kader van de ondertoezichtstelling desgewenst ook over geïnformeerd kan worden.
2.9.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man als reactie op de aanvullende verzoeken van de vrouw en de door haar uitgesproken wens te verhuizen naar [plaats 2] , aangegeven dat hij daar nog geen ‘ja’ op kan zeggen. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat de vrouw de man meeneemt in het proces ten aanzien van de verhuizing, dat zij samen met behulp van hulpverlening gaan bekijken wat de consequenties hiervan zijn voor [minderjarige] en op welke wijze dit (mogelijk) het beste vormgegeven kan worden.
Dictum
De rechtbank
bepaalt dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de [minderjarige]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat tussen de man en de genoemde minderjarige de navolgende definitieve zorgregeling zal gelden, welke zal worden opgebouwd conform de opbouwregeling zoals onder rechtsoverweging 2.12 genoemd; [minderjarige] verblijft bij de man eens in de veertien dagen van vrijdag 13:00 uur, of na schooltijd, tot zondag 18:30 uur, en de week waarin [minderjarige] niet bij de man verblijft zal er een (video)belcontact plaatsvinden op donderdag of vrijdag;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Noort, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 november 2023.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.