Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-11-20
ECLI:NL:RBZWB:2023:8295
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,378 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/8973
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2023 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van het college van 20 juni 2023. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat het college op 30 oktober 2023 de bij primair besluit van 5 oktober 2022 opgelegde last onder dwangsom met terugwerkende kracht vanaf 29 december 2022 heeft ingetrokken.
1.1.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat het op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van mening is dat het college enkel de proceskosten ten aanzien van de beroepsfase alsmede de griffierechten dient te betalen, nu in de bezwaarfase niet is verzocht om veroordeling in de proceskosten en de gemachtigde van eiser ook niet is verschenen tijdens de hoorzitting gedurende de bezwaarprocedure.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is het college aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet beoordelen of het college geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 6 augustus 2023 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard. Het college heeft met zijn besluit van 30 oktober 2022 de last zoals die op 5 oktober 2022 is opgelegd aan eiser ingetrokken vanaf 29 december 2022. Doordat verzoeker de eigendom van het perceel kadastraal bekend [perceel], op 29 december 2022 heeft overgedragen, heeft verzoeker het sinds deze datum niet meer in zijn macht om de overtredingen te voorkomen. Met zijn besluit om de last onder dwangsom in te trekken is het college tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Welk bedrag aan proceskosten moet het college aan verzoeker vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. Nu verzoeker in de bezwaarfase niet heeft verzocht om veroordeling in de proceskosten, kent de rechtbank slechts vergoeding toe van de proceskosten ten aanzien van de beroepsfase. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 837,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 837,-.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het college verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden.Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden.
Dictum
De rechtbank:
veroordeelt het college tot betaling van € 837,- aan proceskosten aan verzoeker;
draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan verzoeker te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.M.J.C. Paijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A. D'Hoore, griffier, op 20 november 2023, en is geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a van de Awb.
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.