Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-11-16
ECLI:NL:RBZWB:2023:8076
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,034 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4630 WMO15
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2023 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaats], eiseres,
gemachtigde: mr. M. Tracey,
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres in het kader van de afwijzing van haar aanvraag op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Met een besluit van 1 juli 2022 (primair besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres om een maatwerkvoorziening in de vorm van een auto met aanpassingen afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Eiseres is in het kader van haar bezwaar gehoord door het college op 8 augustus 2022.
Met een besluit van 25 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit bij deze rechtbank beroep ingesteld. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank in Breda op 2 mei 2023. Hierbij waren aanwezig: eiseres en namens het college mr. M. Ligtenberg.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, zodat eiseres aanvullende medische informatie kan overleggen. Eiseres heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en het college heeft hierop schriftelijk gereageerd. Daarna volgde nog een reactie van eiseres. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. Omvang van het geschil
Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de beperkingen die eiseres ondervindt in haar zelfredzaamheid en participatie op eigen kracht kunnen worden verminderd of weggenomen door gebruik te maken van algemene voorzieningen, waardoor zij niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor een aangepaste auto. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Feiten
3.1.
Eiseres heeft zich op 11 mei 2022 gemeld om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo aan te vragen bij het college in verband met een vervoerprobleem op middellange afstanden vanwege fysieke klachten (fibromyalgie, spierreuma en artrose in de rug). In het kader van deze melding heeft er op 1 juni 2022 een huisbezoek plaatsgevonden.
3.2.
Op 24 juni 2022 heeft het college een plan van aanpak naar eiseres gezonden met daarin een samenvatting van het huisbezoek en een conclusie waarin staat dat eiseres niet in aanmerking komt voor de door haar aangevraagde aangepaste auto.
3.3.
Op 28 juni 2022 heeft eiseres het plan van aanpak teruggezonden naar het college met de reactie dat zij het niet eens is met het plan van aanpak en de conclusie die daarin staat, omdat zij recht heeft op de aangevraagde auto met aanpassingen.
3.3.
Dit heeft vervolgens geleid tot de bestreden besluitvorming van het college, waarbij de aanvraag om een maatwerkvoorziening in de vorm van een aangepaste auto is afgewezen.
4. Beroepsgronden
Eiseres heeft in beroep – evenals in bezwaar – samengevat aangevoerd dat de uitkomst van de WMO-beoordeling onjuist is en het bestreden besluit onvoldoende is onderbouwd. Eiseres stelt dat de door het college aangedragen algemene voorzieningen geen reële oplossing bieden voor haar hulpvraag. Het gebruiken van die voorzieningen zorgt dat zij zich moet overbelasten. Uit de informatie van haar huisarts en reumatoloog volgt dat eiseres sinds 2012/2013 last heeft van gewrichtspijn en spierpijn. Eiseres stelt dat deze klachten onveranderd aanwezig zijn en dat de diagnose fibromyalgie is gesteld, waardoor zij is aangewezen op dagelijkse pijnstilling en leefregels.
Beoordeling
5.1.
Tussen partijen staat vast dat eiseres medische beperkingen ervaart. Partijen zijn echter verdeeld over de vraag of het college op goede gronden de door eiseres aangevraagde maatwerkvoorziening voor een aangepaste auto heeft afgewezen en of het onderzoek dat het college in dit kader heeft verricht zorgvuldig is verlopen.
5.2.
In vaste rechtspraak van de CRvB is overwogen dat uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 voortvloeit dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de Wmo 2015 in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat het college op basis van het huisbezoek van 1 juni 2022, het plan van aanpak van 24 juni 2022 en de zienswijze van eiseres van 28 juni 2022 heeft beoordeeld wat de hulpvraag van eiseres is en welke problemen door haar in dit kader worden ondervonden (stap 1 en 2). Het college heeft deze stukken betrokken bij de beoordeling van de vraag welke ondersteuning naar haar aard nodig is (stap 3). Ook is de aard van de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door anderen uit het netwerk en de voorliggende voorzieningen beschreven (stap 4). Dit heeft het college neergelegd in het Wmo-rapport intake van 1 juli 2022, waarin is besloten tot afwijzing van de tegemoetkoming aanpassing eigen auto op basis van het plan van aanpak. Dit heeft het college ook aan eiseres laten weten middels het primaire besluit van diezelfde datum.
5.4.
Ter zitting heeft eiseres nogmaals te kennen gegeven dat haar aanvraag was bedoeld ter verkrijging van een auto met aanpassingen van stuur, zitting en automaat. Zij heeft namelijk geen eigen auto. Het college heeft hierop toegelicht dat de Wmo enkel kan voorzien in een aanpassing van de auto van eiseres en niet zowel de aanschaf als de aanpassing van de auto. Bovendien kan met het aspect automaat door eiseres rekening worden gehouden bij de aanschaf van de auto, dus zou een Wmo-voorziening enkel zien op aanpassingen van het stuur en de zitting. Volgens het college komt eiseres daar echter ook niet voor in aanmerking, omdat zij objectief gezien gebruik kan maken van het openbaar vervoer en de Regiotaxi.
5.5.
Naar aanleiding van de schorsing ter zitting heeft eiseres een huisartsjournaal van [huisarts] van 11 mei 2023 overgelegd, wat betrekking heeft op de periode van 6 november 2020 tot en met 10 mei 2023. Het college heeft op 26 juni 2023 op het huisartsjournaal gereageerd dat dit stuk geen aanleiding heeft gegeven om het ingenomen standpunt te wijzigen. In dit kader heeft het college meegenomen dat uit het huisartsjournaal volgt dat eiseres op 9 mei 2022 veel wandelde en dat mede gelet daarop er geen sprake is van dusdanige klachten dat zij niet in staat is gebruik te maken van algemene voorzieningen. Verder heeft volgt uit het huisartsjournaal dat eiseres op 5 april 2023 zelfstandig in staat was de bushalte te bereiken en dat de fysiotherapeut op 5 april 2023 en 13 juni 2022 heeft laten weten dat eiseres niet of in onvoldoende mate open staat voor behandeling. Op 25 juli 2023 heeft eiseres nog gereageerd op de brief van het college.
De rechtbank overweegt dat uit de dossierstukken, in het bijzonder het huisartsjournaal, volgt dat eiseres actief was in de periode van de aanvraag. Zo ging eiseres lopend naar de bushalte, bijvoorbeeld op 5 april 2023. Hoewel eiseres stelt dat zij te veel pijn heeft om te doen op een dag wat ze moet doen, heeft de rechtbank in de objectieve medische informatie in het dossier geen ondersteuning gevonden voor dat standpunt van eiseres. Daarom is het niet objectief vast te stellen dat eiseres de medische beperkingen heeft die zij claimt te hebben. De rechtbank heeft dan ook geen reden om aan te nemen dat de WMO-beoordeling van het college onjuist is geweest of anderszins onzorgvuldig is verlopen. De beroepsgronden van eiseres slagen niet. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien aan eiseres de door haar aangevraagde maatwerkvoorziening toe te kennen. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pasmans, griffier, op 16 november 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Bijlage wettelijk kader
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo)
Artikel 1.2.1, aanhef en onder a, van de Wmo bepaalt, voor zover hier van belang, dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie,
Artikel 2.1.2, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat de gemeenteraad periodiek een plan vaststelt met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning.
Artikel 2.1.3 van de Wmo bepaalt, voor zover hier van belang:
1. De gemeenteraad stelt bij verordening de regels vast die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen.
2. In de verordening wordt in ieder geval bepaald:
a. op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;
Artikel 2.3.1 van de Wmo bepaalt dat het college er zorg voor draagt dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.
Artikel 2.3.2 van de Wmo bepaalt:
1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding.
2. Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt het college een persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het college brengt de cliënt van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid het plan te overhandigen.
3. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
4. Het college onderzoekt:
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, verschuldigd zal zijn.
5. Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het tweede lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g.
6. Bij het onderzoek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
7. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
8. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek.
9. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn.
Artikel 2.3.5 van de Wmo bepaalt, voor zover hier van belang:
1. Het college beslist op een aanvraag:
a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie;
b. van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang en beschermd wonen.
2. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
5. De maatwerkvoorziening is, voor zover daartoe aanleiding bestaat,
afgestemd op:
a. de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt,
b. zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet,
c. jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet die de cliënt ontvangt of kan ontvangen,
d. onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen,
e. betaalde werkzaamheden,
f. scholing die de cliënt volgt of kan volgen,
g. ondersteuning ingevolge de Participatiewet,
h. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt.
8.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4630 WMO15
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2023 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaats], eiseres,
gemachtigde: mr. M. Tracey,
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres in het kader van de afwijzing van haar aanvraag op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Met een besluit van 1 juli 2022 (primair besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres om een maatwerkvoorziening in de vorm van een auto met aanpassingen afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Eiseres is in het kader van haar bezwaar gehoord door het college op 8 augustus 2022.
Met een besluit van 25 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit bij deze rechtbank beroep ingesteld. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank in Breda op 2 mei 2023. Hierbij waren aanwezig: eiseres en namens het college mr. M. Ligtenberg.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, zodat eiseres aanvullende medische informatie kan overleggen. Eiseres heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en het college heeft hierop schriftelijk gereageerd. Daarna volgde nog een reactie van eiseres. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. Omvang van het geschil
Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de beperkingen die eiseres ondervindt in haar zelfredzaamheid en participatie op eigen kracht kunnen worden verminderd of weggenomen door gebruik te maken van algemene voorzieningen, waardoor zij niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor een aangepaste auto. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Feiten
3.1.
Eiseres heeft zich op 11 mei 2022 gemeld om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo aan te vragen bij het college in verband met een vervoerprobleem op middellange afstanden vanwege fysieke klachten (fibromyalgie, spierreuma en artrose in de rug). In het kader van deze melding heeft er op 1 juni 2022 een huisbezoek plaatsgevonden.
3.2.
Op 24 juni 2022 heeft het college een plan van aanpak naar eiseres gezonden met daarin een samenvatting van het huisbezoek en een conclusie waarin staat dat eiseres niet in aanmerking komt voor de door haar aangevraagde aangepaste auto.
3.3.
Op 28 juni 2022 heeft eiseres het plan van aanpak teruggezonden naar het college met de reactie dat zij het niet eens is met het plan van aanpak en de conclusie die daarin staat, omdat zij recht heeft op de aangevraagde auto met aanpassingen.
3.3.
Dit heeft vervolgens geleid tot de bestreden besluitvorming van het college, waarbij de aanvraag om een maatwerkvoorziening in de vorm van een aangepaste auto is afgewezen.
4. Beroepsgronden
Eiseres heeft in beroep – evenals in bezwaar – samengevat aangevoerd dat de uitkomst van de WMO-beoordeling onjuist is en het bestreden besluit onvoldoende is onderbouwd. Eiseres stelt dat de door het college aangedragen algemene voorzieningen geen reële oplossing bieden voor haar hulpvraag. Het gebruiken van die voorzieningen zorgt dat zij zich moet overbelasten. Uit de informatie van haar huisarts en reumatoloog volgt dat eiseres sinds 2012/2013 last heeft van gewrichtspijn en spierpijn. Eiseres stelt dat deze klachten onveranderd aanwezig zijn en dat de diagnose fibromyalgie is gesteld, waardoor zij is aangewezen op dagelijkse pijnstilling en leefregels.
Beoordeling
5.1.
Tussen partijen staat vast dat eiseres medische beperkingen ervaart. Partijen zijn echter verdeeld over de vraag of het college op goede gronden de door eiseres aangevraagde maatwerkvoorziening voor een aangepaste auto heeft afgewezen en of het onderzoek dat het college in dit kader heeft verricht zorgvuldig is verlopen.
5.2.
In vaste rechtspraak van de CRvB is overwogen dat uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 voortvloeit dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de Wmo 2015 in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat het college op basis van het huisbezoek van 1 juni 2022, het plan van aanpak van 24 juni 2022 en de zienswijze van eiseres van 28 juni 2022 heeft beoordeeld wat de hulpvraag van eiseres is en welke problemen door haar in dit kader worden ondervonden (stap 1 en 2). Het college heeft deze stukken betrokken bij de beoordeling van de vraag welke ondersteuning naar haar aard nodig is (stap 3). Ook is de aard van de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door anderen uit het netwerk en de voorliggende voorzieningen beschreven (stap 4). Dit heeft het college neergelegd in het Wmo-rapport intake van 1 juli 2022, waarin is besloten tot afwijzing van de tegemoetkoming aanpassing eigen auto op basis van het plan van aanpak. Dit heeft het college ook aan eiseres laten weten middels het primaire besluit van diezelfde datum.
5.4.
Ter zitting heeft eiseres nogmaals te kennen gegeven dat haar aanvraag was bedoeld ter verkrijging van een auto met aanpassingen van stuur, zitting en automaat. Zij heeft namelijk geen eigen auto. Het college heeft hierop toegelicht dat de Wmo enkel kan voorzien in een aanpassing van de auto van eiseres en niet zowel de aanschaf als de aanpassing van de auto. Bovendien kan met het aspect automaat door eiseres rekening worden gehouden bij de aanschaf van de auto, dus zou een Wmo-voorziening enkel zien op aanpassingen van het stuur en de zitting. Volgens het college komt eiseres daar echter ook niet voor in aanmerking, omdat zij objectief gezien gebruik kan maken van het openbaar vervoer en de Regiotaxi.
5.5.
Naar aanleiding van de schorsing ter zitting heeft eiseres een huisartsjournaal van [huisarts] van 11 mei 2023 overgelegd, wat betrekking heeft op de periode van 6 november 2020 tot en met 10 mei 2023. Het college heeft op 26 juni 2023 op het huisartsjournaal gereageerd dat dit stuk geen aanleiding heeft gegeven om het ingenomen standpunt te wijzigen. In dit kader heeft het college meegenomen dat uit het huisartsjournaal volgt dat eiseres op 9 mei 2022 veel wandelde en dat mede gelet daarop er geen sprake is van dusdanige klachten dat zij niet in staat is gebruik te maken van algemene voorzieningen. Verder heeft volgt uit het huisartsjournaal dat eiseres op 5 april 2023 zelfstandig in staat was de bushalte te bereiken en dat de fysiotherapeut op 5 april 2023 en 13 juni 2022 heeft laten weten dat eiseres niet of in onvoldoende mate open staat voor behandeling. Op 25 juli 2023 heeft eiseres nog gereageerd op de brief van het college.
De rechtbank overweegt dat uit de dossierstukken, in het bijzonder het huisartsjournaal, volgt dat eiseres actief was in de periode van de aanvraag. Zo ging eiseres lopend naar de bushalte, bijvoorbeeld op 5 april 2023. Hoewel eiseres stelt dat zij te veel pijn heeft om te doen op een dag wat ze moet doen, heeft de rechtbank in de objectieve medische informatie in het dossier geen ondersteuning gevonden voor dat standpunt van eiseres. Daarom is het niet objectief vast te stellen dat eiseres de medische beperkingen heeft die zij claimt te hebben. De rechtbank heeft dan ook geen reden om aan te nemen dat de WMO-beoordeling van het college onjuist is geweest of anderszins onzorgvuldig is verlopen. De beroepsgronden van eiseres slagen niet. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien aan eiseres de door haar aangevraagde maatwerkvoorziening toe te kennen. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pasmans, griffier, op 16 november 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Bijlage wettelijk kader
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo)
Artikel 1.2.1, aanhef en onder a, van de Wmo bepaalt, voor zover hier van belang, dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie,
Artikel 2.1.2, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat de gemeenteraad periodiek een plan vaststelt met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning.
Artikel 2.1.3 van de Wmo bepaalt, voor zover hier van belang:
1. De gemeenteraad stelt bij verordening de regels vast die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen.
2. In de verordening wordt in ieder geval bepaald:
a. op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;
Artikel 2.3.1 van de Wmo bepaalt dat het college er zorg voor draagt dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.
Artikel 2.3.2 van de Wmo bepaalt:
1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding.
2. Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt het college een persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het college brengt de cliënt van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid het plan te overhandigen.
3. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
4. Het college onderzoekt:
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, verschuldigd zal zijn.
5. Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het tweede lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g.
6. Bij het onderzoek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
7. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
8. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek.
9. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn.
Artikel 2.3.5 van de Wmo bepaalt, voor zover hier van belang:
1. Het college beslist op een aanvraag:
a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie;
b. van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang en beschermd wonen.
2. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
5. De maatwerkvoorziening is, voor zover daartoe aanleiding bestaat,
afgestemd op:
a. de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt,
b. zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet,
c. jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet die de cliënt ontvangt of kan ontvangen,
d. onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen,
e. betaalde werkzaamheden,
f. scholing die de cliënt volgt of kan volgen,
g. ondersteuning ingevolge de Participatiewet,
h. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt.
8.