Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-11-13
ECLI:NL:RBZWB:2023:7979
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,590 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/2722 WMO15
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2023 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg, (het college), verweerder,
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de toekenning van begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
Het college heeft deze begeleiding met het besluit van 22 november 2021 toegekend. Met het bestreden besluit van 18 mei 2022 op het bezwaar van eiseres is het college bij die toekenning gebleven.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 4 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de zwager van eiseres, [naam 1], en de gemachtigden van het college.
Totstandkoming van het besluit
Feiten
2.1.
Eiseres, geboren op 31 juli 1963, heeft de ziekte van Steinert. Deze ziekte tast de spieren en organen aan. Eiseres heeft verminderde energie, draagt een hartdefibrillator en heeft diabetes. Eiseres heeft zeven dochters waarvan er drie nog thuiswonend zijn. Vijf van hen hebben ook de ziekte van Steinert en zijn minder begaafd. Eiseres is weduwe en haar nieuwe partner is op 23 december 2021 plotseling overleden.
2.2.
Met het besluit van 22 november 2021 heeft het college aan eiseres over de periode van 15 november 2021 tot en met 31 januari 2022 12 uur per week begeleiding toegekend en over de periode van 1 februari 2022 tot en met 30 april 2022 2 uur.
Deze begeleiding werd geleverd door ambulant hulpverlener [naam 2] (KOC Diensten).
2.3.
Eiseres heeft tegen het besluit van 22 november 2021 bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
2.4
Met het besluit van 10 mei 2022 heeft het college dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Met het bestreden besluit van 18 mei 2022 heeft het college het besluit van
10 mei 2022 herzien. Het college verklaart het bezwaar van eiseres tegen het besluit van
22 november 2021 ongegrond.
Het college stelt dat eiseres voor haar mentale klachten is doorverwezen naar de praktijkondersteuner die haar eventueel zal doorsturen naar een behandelaar. Deze voorziening op grond van de Zorgverzekeringswet is voorliggend op de Wmo. Het college heeft aan eiseres tijdelijk uren toegekend om haar naar deze voorliggende voorziening toe te leiden. Voor wat betreft het verzorgen van de administratie is eiseres gewezen op Humanitas. Omdat deze mogelijkheid voorliggend is heeft het college hiervoor geen uren geïndiceerd.
Beroep
3.1.
Eiseres stelt dat de ambulant begeleider haar helpt, hulp inschakelt en coördineert wat de hulpverleners moeten doen. Bellen lukt eiseres niet omdat mensen haar slecht kunnen verstaan door de telefoon en ook schrijven lukt niet. Daarnaast heeft eiseres hulp bij het huishouden en de strijk. Voor alle karweitjes zoekt de begeleider iemand. Maar deze mensen kunnen niet overnemen wat de begeleider doet.
3.2.
Eiseres stelt verder dat zij anderhalf jaar geleden contact heeft gehad met Humanitas. Toen werd gezegd dat er niemand beschikbaar was. Mogelijk is er nu wel iemand beschikbaar maar die kan nooit doen wat de ambulant begeleider allemaal doet. De simpele dingen (betalingen en eenvoudige post) doet eiseres nu al zelf. De zwager van eiseres doet de administratie. Het voorliggende veld is dus geen oplossing.
3.3.
Ook praktijkondersteuning is geen oplossing. Eiseres heeft in het verleden al psychische ondersteuning gehad vanuit UZ Gent. Toen is geconcludeerd dat dat beter gecombineerd kan worden met hulp van een ambulant begeleider. Eiseres ziet niet in waarom zij dan nu weer naar de praktijkondersteuner zou moeten gaan.
3.4.
Het besluit van het college doet geen recht aan de situatie van eiseres: een weduwe, die zwak en broos is, met vijf kinderen met een spierziekte.
Eiseres vindt het ook niet te rijmen dat het college eerst aanleiding ziet om 12 uur begeleiding toe te kennen en nu helemaal niets meer.
Juridisch kader
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
4.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat zij alleen het bestreden besluit kan beoordelen en ook alleen als daar een belang bij bestaat. Dat wordt procesbelang genoemd.
4.2.
Het bestreden besluit houdt in dat eiseres over de periode van 15 november 2021 tot en met 31 januari 2022 12 uur per week begeleiding en van 1 februari tot en met 30 april 2022 2 uur per week begeleiding krijgt. De zogenaamde periode in geding betreft derhalve de (reeds verstreken) periode van 15 november 2021 tot en met 30 april 2022.
4.3.
In beginsel geldt dat geen procesbelang bestaat bij de beoordeling van een reeds verstreken periode, tenzij bijvoorbeeld schade is geleden of een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Als er geen procesbelang is, dan wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt beoordeeld.
4.4.
De periode in geding loopt tot en met 30 april 2022. Op de zitting heeft eiseres laten weten dat zij het eens is met de toegekende 12 uur en daarna 2 uur begeleiding per week. Zij is het er alleen niet mee eens dat zij na 1 mei 2022 niet meer 2 uur begeleiding van het college krijgt.
4.5.
Of dat juist is kan de rechtbank echter niet beoordelen omdat het bestreden besluit niet ziet op de periode na 1 mei 2022 en niet is gebleken dat eiseres bij het college een nieuwe aanvraag heeft ingediend voor die periode.
4.6.
Eiseres heeft gesteld dat zij het college drie keer een brief heeft gestuurd, maar het college heeft betwist dat een nieuwe aanvraag is ingediend.
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt of aangetoond dat zij een nieuwe aanvraag heeft gedaan voor 2 uur per week begeleiding met ingang van 1 mei 2022. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat die aanvraag er niet is.
4.8.
Omdat er geen aanvraag is voor de periode na 1 mei 2022 is een inhoudelijk oordeel over de periode in geding van 15 november 2021 tot en met 30 april 2022 niet van belang voor een toekomstige periode. Ook overigens is niet gebleken van procesbelang in deze zaak. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.
4.9.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat bij een eventuele nieuwe aanvraag het college heeft toegezegd de datum van de zitting aan te merken als meldingsdatum. Eiseres kan 8 weken hierna een aanvraag indienen.
Conclusie
Het beroep is niet-ontvankelijk.
Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar griffierecht.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel griffier op 13 november 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 1.1.1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
– begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven.
– participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;
– zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.
Artikel 2.3.2
1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding.
4. Het college onderzoekt:
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, verschuldigd zal zijn.
9. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn.
Artikel 2.3.5
1. Het college beslist op een aanvraag:
a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie;
b. van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang en beschermd wonen.
2. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.
Verordening Wmo en jeugdhulp gemeente Middelburg 2021
Artikel 25
3. Het college onderzoekt met de degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding:
a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;
b. welke belemmeringen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie;
c. welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de cliënt om voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.
d. de mogelijkheden om op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen en opvang.
Artikel 26
1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/2722 WMO15
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2023 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg, (het college), verweerder,
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de toekenning van begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
Het college heeft deze begeleiding met het besluit van 22 november 2021 toegekend. Met het bestreden besluit van 18 mei 2022 op het bezwaar van eiseres is het college bij die toekenning gebleven.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 4 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de zwager van eiseres, [naam 1], en de gemachtigden van het college.
Totstandkoming van het besluit
Feiten
2.1.
Eiseres, geboren op 31 juli 1963, heeft de ziekte van Steinert. Deze ziekte tast de spieren en organen aan. Eiseres heeft verminderde energie, draagt een hartdefibrillator en heeft diabetes. Eiseres heeft zeven dochters waarvan er drie nog thuiswonend zijn. Vijf van hen hebben ook de ziekte van Steinert en zijn minder begaafd. Eiseres is weduwe en haar nieuwe partner is op 23 december 2021 plotseling overleden.
2.2.
Met het besluit van 22 november 2021 heeft het college aan eiseres over de periode van 15 november 2021 tot en met 31 januari 2022 12 uur per week begeleiding toegekend en over de periode van 1 februari 2022 tot en met 30 april 2022 2 uur.
Deze begeleiding werd geleverd door ambulant hulpverlener [naam 2] (KOC Diensten).
2.3.
Eiseres heeft tegen het besluit van 22 november 2021 bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
2.4
Met het besluit van 10 mei 2022 heeft het college dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Met het bestreden besluit van 18 mei 2022 heeft het college het besluit van
10 mei 2022 herzien. Het college verklaart het bezwaar van eiseres tegen het besluit van
22 november 2021 ongegrond.
Het college stelt dat eiseres voor haar mentale klachten is doorverwezen naar de praktijkondersteuner die haar eventueel zal doorsturen naar een behandelaar. Deze voorziening op grond van de Zorgverzekeringswet is voorliggend op de Wmo. Het college heeft aan eiseres tijdelijk uren toegekend om haar naar deze voorliggende voorziening toe te leiden. Voor wat betreft het verzorgen van de administratie is eiseres gewezen op Humanitas. Omdat deze mogelijkheid voorliggend is heeft het college hiervoor geen uren geïndiceerd.
Beroep
3.1.
Eiseres stelt dat de ambulant begeleider haar helpt, hulp inschakelt en coördineert wat de hulpverleners moeten doen. Bellen lukt eiseres niet omdat mensen haar slecht kunnen verstaan door de telefoon en ook schrijven lukt niet. Daarnaast heeft eiseres hulp bij het huishouden en de strijk. Voor alle karweitjes zoekt de begeleider iemand. Maar deze mensen kunnen niet overnemen wat de begeleider doet.
3.2.
Eiseres stelt verder dat zij anderhalf jaar geleden contact heeft gehad met Humanitas. Toen werd gezegd dat er niemand beschikbaar was. Mogelijk is er nu wel iemand beschikbaar maar die kan nooit doen wat de ambulant begeleider allemaal doet. De simpele dingen (betalingen en eenvoudige post) doet eiseres nu al zelf. De zwager van eiseres doet de administratie. Het voorliggende veld is dus geen oplossing.
3.3.
Ook praktijkondersteuning is geen oplossing. Eiseres heeft in het verleden al psychische ondersteuning gehad vanuit UZ Gent. Toen is geconcludeerd dat dat beter gecombineerd kan worden met hulp van een ambulant begeleider. Eiseres ziet niet in waarom zij dan nu weer naar de praktijkondersteuner zou moeten gaan.
3.4.
Het besluit van het college doet geen recht aan de situatie van eiseres: een weduwe, die zwak en broos is, met vijf kinderen met een spierziekte.
Eiseres vindt het ook niet te rijmen dat het college eerst aanleiding ziet om 12 uur begeleiding toe te kennen en nu helemaal niets meer.
Juridisch kader
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
4.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat zij alleen het bestreden besluit kan beoordelen en ook alleen als daar een belang bij bestaat. Dat wordt procesbelang genoemd.
4.2.
Het bestreden besluit houdt in dat eiseres over de periode van 15 november 2021 tot en met 31 januari 2022 12 uur per week begeleiding en van 1 februari tot en met 30 april 2022 2 uur per week begeleiding krijgt. De zogenaamde periode in geding betreft derhalve de (reeds verstreken) periode van 15 november 2021 tot en met 30 april 2022.
4.3.
In beginsel geldt dat geen procesbelang bestaat bij de beoordeling van een reeds verstreken periode, tenzij bijvoorbeeld schade is geleden of een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Als er geen procesbelang is, dan wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt beoordeeld.
4.4.
De periode in geding loopt tot en met 30 april 2022. Op de zitting heeft eiseres laten weten dat zij het eens is met de toegekende 12 uur en daarna 2 uur begeleiding per week. Zij is het er alleen niet mee eens dat zij na 1 mei 2022 niet meer 2 uur begeleiding van het college krijgt.
4.5.
Of dat juist is kan de rechtbank echter niet beoordelen omdat het bestreden besluit niet ziet op de periode na 1 mei 2022 en niet is gebleken dat eiseres bij het college een nieuwe aanvraag heeft ingediend voor die periode.
4.6.
Eiseres heeft gesteld dat zij het college drie keer een brief heeft gestuurd, maar het college heeft betwist dat een nieuwe aanvraag is ingediend.
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt of aangetoond dat zij een nieuwe aanvraag heeft gedaan voor 2 uur per week begeleiding met ingang van 1 mei 2022. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat die aanvraag er niet is.
4.8.
Omdat er geen aanvraag is voor de periode na 1 mei 2022 is een inhoudelijk oordeel over de periode in geding van 15 november 2021 tot en met 30 april 2022 niet van belang voor een toekomstige periode. Ook overigens is niet gebleken van procesbelang in deze zaak. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.
4.9.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat bij een eventuele nieuwe aanvraag het college heeft toegezegd de datum van de zitting aan te merken als meldingsdatum. Eiseres kan 8 weken hierna een aanvraag indienen.
Conclusie
Het beroep is niet-ontvankelijk.
Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar griffierecht.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel griffier op 13 november 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 1.1.1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
– begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven.
– participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;
– zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.
Artikel 2.3.2
1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding.
4. Het college onderzoekt:
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, verschuldigd zal zijn.
9. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn.
Artikel 2.3.5
1. Het college beslist op een aanvraag:
a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie;
b. van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang en beschermd wonen.
2. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.
Verordening Wmo en jeugdhulp gemeente Middelburg 2021
Artikel 25
3. Het college onderzoekt met de degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding:
a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;
b. welke belemmeringen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie;
c. welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de cliënt om voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.
d. de mogelijkheden om op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen en opvang.
Artikel 26
1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.