Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-11-15
ECLI:NL:RBZWB:2023:7928
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,124 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/398848 / HA ZA 22-321
Vonnis van 15 november 2023
in de zaak van
de naamloze vennootschap
LIBERTY MUTUAL INSURANCE EUROPE SE,
gevestigd te Luxemburg,
eiseres,
advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te [plaats] ,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [plaats] ,
gedaagden,
thans procederend zonder advocaat.
Partijen zullen hierna Liberty en [gedaagden] (en afzonderlijk bij hun achternaam) genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 14 december 2022 en de daarin genoemde processtukken;
de mondelinge behandeling van 8 november 2023 en de daarvan door de griffier gemaakte aantekeningen.
1.2.
De mondelinge behandeling stond aanvankelijk gepland op 1 mei 2023. Deze zitting heeft op verzoek van [gedaagden] geen doorgang gevonden. De zitting is verplaatst naar 8 november 2023. Partijen zijn hierover door de griffie geïnformeerd per e-mail van 3 mei 2023. [gedaagde sub 1] heeft de rechtbank bij e-mail van 21 augustus 2023 geïnformeerd dat mr. Menting niet zijn advocaat zou zijn op de zitting, en dat zich voor de zitting van 8 november 2023 op korte termijn een nieuwe advocaat zou stellen. Hieruit blijkt dat het oproepingsbericht [gedaagden] heeft bereikt. Er heeft zich geen andere advocaat gesteld voor [gedaagden] zijn zonder bericht niet op de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
De rechtbank constateert dat [gedaagden] deugdelijk zijn opgeroepen, en desondanks niet verschenen zijn. De rechtbank heeft daarom bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
Geschil
2.1.
Liberty vordert samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 327.925,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2022 en (beslag-, proces- en na-) kosten. Liberty vordert uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis.
2.2.
[gedaagden] voert verweer.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
3.1.
De rechtbank stelt vast dat [gedaagden] op grond van de met [naam] gesloten koopovereenkomst met betrekking tot een woning, een bankgarantie ter hoogte van € 325.000,00 dienden te stellen, en dat Liberty zich bereid heeft verklaard om garant te staan. In de door [gedaagden] op 23 december 2021 ondertekende garantieopdracht is voor zover van belang bepaald dat (1) [gedaagden] zich akkoord verklaren met de inhoud van de garantie en de daarin op te nemen bepaling dat de garant op eerste aangetekende schriftelijke verzoek van de notaris zorg zal dragen voor betaling aan de notaris, zonder enige verplichting van de garant om de juistheid van de vordering nader te onderzoeken, en (2) [gedaagden] zich verbinden om onmiddellijk nadat de garant op grond van de garantie betalingen heeft gedaan, die bedragen aan de garant te voldoen. Ook staat vast dat de notaris namens [naam] de bankgarantie heeft ingeroepen, en dat Liberty op 30 mei 2022 een bedrag van € 325.000,00 op de kwaliteitsrekening van de notaris heeft gestort.
3.2.
[gedaagden] hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek van Liberty van 30 mei 2022 om een bedrag van € 327.925,00 (het bedrag van de garantie plus de garantiekosten) uiterlijk op 7 juni 2022 te 10.00 uur te betalen aan haar. De verweren die [gedaagden] daarvoor aanvoeren, komen er samengevat op neer dat (1) zij vinden dat de bankgarantie ten onrechte is ingeroepen en er daardoor ten onrechte een bedrag van € 325.000,00 aan [naam] is uitbetaald en (2) Liberty niet bij hen, maar bij [naam] of de notaris moet aankloppen voor betaling, en wel op grond van onverschuldigde betaling.
3.3.
Beide verweren stranden op de afspraken die [gedaagden] in de garantieopdracht zijn overeengekomen, en die zojuist zijn genoemd (3.1 hiervoor). De garant hoefde geen onderzoek te doen naar de juistheid van het inroepen van de garantie. Of de bankgarantie wel of niet terecht is ingeroepen, doet dan ook niet af aan de betalingsverplichting van [gedaagden] jegens Liberty. Door het inroepen van de bankgarantie is er op grond van de gemaakte afspraken een verplichting ontstaan voor [gedaagden] om het onder de garantie betaalde bedrag terug te betalen. Die verplichting rust op [gedaagden] , niet op [naam] of de notaris.
3.4.
Dit betekent dat de vordering tot betaling van een bedrag van € 327.925,00 toegewezen zal worden. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 7 juni 2022, nu [gedaagden] tot 7 juni 2022 10.00 uur de gelegenheid hebben gekregen om te betalen, en dus pas op die datum in verzuim zijn geraakt.
3.5.
De beslagkosten worden ook toegewezen, nu niet gesteld of gebleken is dat het gelegde beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. De kosten worden vastgesteld op € 3.530,28 (€ 676,00 aan griffierecht, € 2.491,00 aan salaris advocaat en (€ 249,27 + € 114,01=) € 363,28 aan explootkosten).
3.6.
[gedaagden] worden als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De proceskosten worden aan de kant van Liberty tot op heden begroot op
- dagvaarding € 103,33
- griffierecht € 5.061,00
- salaris advocaat € 5.290,00 (2 punten × tarief VI)
- nakosten € 163,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 10.617,33
3.7.
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De over de deurwaardersexploten gevorderde btw wordt afgewezen. Liberty stelt weliswaar geen ondernemer in de zin van artikel 7 Wet OB te zijn en de btw niet te kunnen verrekenen, maar blijkens de exploten zijn de explootkosten zonder btw in rekening gebracht.
3.8.
[gedaagden] hebben verzocht een veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, dan wel enkel onder de voorwaarde van het stellen van zekerheid door Liberty. Dit bij de conclusie opgenomen verweer tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis is echter in het lichaam van de conclusie niet nader onderbouwd, en wordt reeds om die reden gepasseerd.
Dictum
De rechtbank
4.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat als de ene partij heeft betaald de andere partij van die verplichting zal zijn bevrijd, om aan Liberty te betalen een bedrag van € 327.925,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 juni 2022 tot aan de dag van gehele betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat als de ene partij heeft betaald de andere partij van die verplichting zal zijn bevrijd, om aan Liberty te betalen een bedrag van € 3.530,28 ter zake beslagkosten,
4.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat als de ene partij heeft betaald de andere partij van die verplichting zal zijn bevrijd, om aan Liberty te betalen een bedrag van € 10.617,33 ter zake de proceskosten, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe. Indien [gedaagden] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [gedaagden] aan Liberty € 85,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
4.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat als de ene partij heeft betaald de andere partij van die verplichting zal zijn bevrijd, om de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de beslag- en proceskosten aan Liberty te betalen indien deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving zijn voldaan,
4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 15 november 2023.