Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-11-07
ECLI:NL:RBZWB:2023:7710
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
3,933 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/411810 / KG ZA 23-342
Vonnis in kort geding van 7 november 2023
in de zaak van
1
[eiser01] ,
wonende te [woonplaats01] ,
2.
[eiser02]
,
wonende te [woonplaats02] ,
3.
[eiser03]
,
wonende te [woonplaats01] ,
eiseressen,
advocaat mr. M.F.J. Martens te 's-Hertogenbosch,
tegen
[gedaagde01]
,
wonende te [woonplaats01] ,
gedaagde,
advocaat mr. A. Smeekes te Breda.
Eisers zullen hierna gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) [eisers01] en afzonderlijk [eiser01] , [eiser02] en [eiser03] genoemd worden. Gedaagde zal hierna [gedaagde01] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 10 augustus 2023 met producties 1 tot en met 7;
de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 11;
de door [eisers01] ingediende aanvullende producties 8 tot en met 10;
de mondelinge behandeling;
de pleitnota van [eisers01]
1.2.
De zaak is na afloop van de mondelinge behandeling op verzoek van partijen aangehouden voor het treffen van een minnelijke regeling. Bij brief van 24 oktober 2023 heeft de advocaat van [eisers01] aan de voorzieningenrechter medegedeeld dat er geen overeenstemming is bereikt tussen partijen en verzocht om vonnis te wijzen. Hierop is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Tussen partijen staan de volgende feiten vast:
De heer [erflater01] (hierna: erflater) is op 27 november 2021 overleden. Erflater was gehuwd geweest met mevrouw [naam01] , moeder van [eisers01] , die eerder is overleden.
Erflater was opnieuw gehuwd met [gedaagde01] en zij waren in gemeenschap van goederen gehuwd.
Erflater en [gedaagde01] woonden lange tijd samen in een huurwoning. Op 25 februari 2021 is erflater verhuisd naar een verpleeghuis en [gedaagde01] is op 18 oktober 2021 verhuisd naar een appartement.
Bij brief van 10 februari 2022 heeft [eisers01] aan [gedaagde01] medegedeeld inzage te willen in de nalatenschap van erflater. Hierna hebben [gedaagde01] en ook [eiser02] zich tot een advocaat respectievelijk gemachtigde gewend.
De gemachtigde van [eiser02] heeft bij brief van 7 maart 2022 aan [gedaagde01] verzocht om:
- verstrekking van een boedelbeschrijving,
- een overzicht van de inboedel met waardebepaling,
- een kopie van de ingediende aangiften IB 2019 tot en met 2021 en de IB aanslagen en
- afschriften van alle bankrekeningen vanaf 27 november 2019 tot begin 2022.
Als reactie heeft de advocaat van [gedaagde01] bij brief van 14 april 2022 IB aanslagen van 2018 en 2019, een aangifte IB van 2020 en een bankafschrift rondom het overlijden van erflater aan de gemachtigde van [eiser02] gezonden, alsmede een aantal beschikkingen over teveel ontvangen toeslagen voor erflater. Daarnaast heeft de advocaat van [gedaagde01] medegedeeld dat de nalatenschap per saldo negatief is en er geen eigendommen met noemenswaardige economische waarde zijn.
Bij brief van 4 mei 2023 heeft de advocaat van [eisers01] aan [gedaagde01] opnieuw verzocht om een boedelbeschrijving en afgifte van stukken.
De advocaat van [gedaagde01] heeft als reactie bij e-mail van 12 juni 2023 de eerdere brief van 14 april 2022 gevoegd en medegedeeld dat er geen noemenswaardige inboedel is, dat de spaarrekening voor overlijden al is opgeheven en telefonisch overleg praktisch is.
Geschil
3.1.
[eisers01] vordert samengevat - dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[naam02] wordt veroordeeld om binnen 7 dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan [eisers01] te verstrekken:
een boedelbeschrijving met onderliggende stukken als ook een inboedeloverzicht met waardebepaling;
kopieën van de aangiften IB 2019 tot en met 2021, waarop diverse banksaldi per 1 januari en per 31 december zichtbaar zijn (zo nodig separaat indien die niet op die wijze in de aangifte zijn vermeld) met bijbehorende IB aanslagen;
afschriften van alle bankrekeningen vanaf 27 november 2019 tot en met 31 december 2021;
II. een en ander op straffe van een aan [eisers01] te verbeuren dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde01] in gebreke blijft aan het gevorderde onder I te voldoen;
III. [gedaagde01] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure en de nakosten.
3.2.
[eisers01] legt aan haar vorderingen – samengevat – ten grondslag dat de wettelijke verdeling van toepassing is en dat zij de informatie nodig heeft om de omvang van de erfdelen vast te stellen. [eisers01] stelt een spoedeisend belang te hebben omdat erflater op 27 november 2021 is overleden en er bij herhaling geen gevolg wordt gegeven aan verzoeken om de gewenste informatie te verkrijgen.
3.3.
[gedaagde01] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers01] in haar vorderingen dan wel de vorderingen van [eisers01] af te wijzen als ongegrond en/of niet bewezen met hoofdelijke veroordeling van [eisers01] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.4.
[gedaagde01] voert als verweer – samengevat – aan dat er geen sprake is van spoedeisend belang omdat de zaak meer dan een jaar heeft stilgelegen. Verder voert [gedaagde01] aan dat er voldoende stukken zijn overgelegd waaruit de omvang van de nalatenschap blijkt en aan de hand waarvan een eventuele vordering kan worden vastgesteld.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
bevoegdheid
4.1.
[gedaagde01] voert aan dat niet de voorzieningenrechter, maar de kantonrechter bevoegd is tot kennisname van de vordering ter zake de boedelbeschrijving. Uit artikel 254 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt echter dat de voorzieningenrechter bevoegd is in alle spoedeisende zaken en dus ook in kantonzaken. Er is geen sprake van absolute bevoegdheid van de kantonrechter. De keuze voor de voorzieningenrechter of kantonrechter ligt bij de eiser: de wet spreekt geen voorkeur uit en gedaagde kan geen verwijzing vragen. De voorzieningenrechter acht zich dan ook bevoegd tot kennisname van de vorderingen.
spoedeisend belang
4.2.
[gedaagde01] heeft het spoedeisend belang van [eisers01] bij haar vorderingen betwist omdat de zaak meer dan een jaar heeft stil gelegen. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van [gedaagde01] niet. Aan [gedaagde01] kan wel worden toegegeven dat het tussen partijen een jaar lang stil is geweest, maar bij brief van 4 mei 2023 heeft [eisers01] weer aandacht gevraagd voor de zaak en opnieuw om stukken verzocht. Nu het contact niet heeft geleid tot duidelijkheid voor [eisers01] en verder tijdverloop tot gevolg kan hebben dat het alleen maar moeilijker wordt om tot een duidelijke boedelbeschrijving te komen, heeft [eisers01] een voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen.
Beoordeling
4.3.
Partijen zijn het er over eens dat de wettelijke verdeling van toepassing is en [eisers01] vordert in dat kader informatie en stukken om de omvang van de erfdelenvast te kunnen stellen.
boedelbeschrijving
4.4.
[eisers01] vordert een boedelbeschrijving met onderliggende stukken. [gedaagde01] stelt in de conclusie van antwoord dat er al duidelijkheid is gegeven en er daarom geen aanleiding is voor toewijzing van de vordering.
4.5.
In artikel 4:16 BW is bepaald dat de echtgenoot en ieder kind kunnen verlangen dat een boedelbeschrijving wordt opgemaakt. In dit geval is nog geen boedelbeschrijving opgemaakt en wensen de kinderen ( [eisers01] ) dat dit alsnog gebeurt. Hoewel de wet niet bepaalt dat het de verantwoordelijkheid van de echtgenoot, dus in dit geval [gedaagde01] , is om de boedelbeschrijving op te maken, geldt in dit geval dat [gedaagde01] degene is die inzicht heeft in de bezittingen en schulden op het moment van overlijden van erflater en dat [eisers01] dat inzicht niet heeft. De voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde01] al enige duidelijkheid heeft gegeven, maar de informatie is verspreid verstrekt en er is nog geen volledig en helder inzicht gegeven in alle bezittingen en schulden van de nalatenschap. [gedaagde01] zal daarom veroordeeld worden om de boedelbeschrijving met onderliggende stukken te verstrekken. Ook is er tussen partijen discussie of uitkeringen die de uitvaartverzekering van erflater heeft gedaan in de nalatenschap vallen. Nu [gedaagde01] betwist dat die uitkeringen in de nalatenschap vallen en aanvoert dat zij de begunstigde is volgens de polis, ligt het op de weg van [gedaagde01] om dat door overlegging van de polis met voorwaarden te onderbouwen. [eisers01] vordert niet dat de akte bij de notaris wordt opgemaakt en heeft ter zitting medegedeeld dat een simpele boedelbeschrijving volstaat. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde01] kan volstaan met een onderhands opgemaakte boedelbeschrijving met onderliggende stukken.
inboedeloverzicht
4.6.
Ook vordert [eisers01] verstrekking van een inboedeloverzicht met waardebepaling. [gedaagde01] voert aan dat er enkel oude meubels zijn die geen (of vrijwel geen) economische waarde hebben. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan [gedaagde01] niet volstaan met deze enkele stelling, mede gelet op het feit dat [gedaagde01] ter zitting heeft verklaard dat het spaargeld is aangewend voor de verhuizing naar het appartement en dat zij daarvan onder meer een nieuwe koelkast en inductieplaat heeft gekocht. De vordering tot verstrekking van een inboedeloverzicht met waardebepaling per de datum van overlijden van erflater is dan ook toewijsbaar waarbij [gedaagde01] gemotiveerd dient aan te geven hoe zij zelf tot die waarde komt.
aangiftes en aanslagen IB
4.7.
[eisers01] vordert verstrekking van aangiftes IB van 2019 tot en met 2021
– waarop banksaldi zichtbaar zijn – met de bijbehorende IB aanslagen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde01] voor wat betreft de aangifte en aanslag van 2021 geen specifiek verweer heeft gevoerd tegen de stelling dat die stukken nodig zijn om het vermogen op de datum van overlijden van erflater vast te stellen. Nu de aangifte en aanslag van 2021 nog niet zijn verstrekt, is de vordering tot afgifte van deze stukken toewijsbaar. Omdat [gedaagde01] al inzicht heeft verstrekt in de banksaldi op de datum van overlijden (zie ook de toelichting in r.o. 4.8), is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet nodig dat op de aangifte de banksaldi op 1 januari en 31 december zijn vermeld of dat deze separaat worden verstrekt. Voor de vaststelling van de omvang van de nalatenschap en de erfdelen is immers van belang welke bezittingen en schulden er waren op de datum van het overlijden van erflater. Van de overige aangiftes en aanslagen – die overigens deels zijn verstrekt – geldt dat [eisers01] onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat zij recht heeft op en belang bij verstrekking van de informatie over de voorgaande jaren. Dat deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.
bankafschriften van alle bankrekeningen
4.8.
[eisers01] stelt dat [gedaagde01] afschriften van de bankafschriften van de periode 27 november 2019 tot en met 31 december 2021 dient te verstrekken. De voorzieningenrechter stelt vast dat zijdens [gedaagde01] bij brief van 14 april 2022 een bankafschrift is verstrekt van de betaalrekening bij Rabobank op het moment van overlijden van erflater (productie 5 dagvaarding). Verstrekking van overige bankafschriften van die rekening is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet nodig voor het vaststellen van de omvang van het erfdeel. Erflater en [gedaagde01] waren voor het overlijden van erflater namelijk gerechtigd om vermogen uit te geven zoals zij wilden. Dat er sprake is van andere bankrekeningen op het moment van overlijden van erflater is niet gebleken.
Wel is gebleken dat er een spaarrekening bij Rabobank was die voor het overlijden van erflater (in 2019) is opgeheven. [gedaagde01] heeft die opheffing ook onderbouwd met een brief van de Rabobank. Ten aanzien van die rekening stelt [eisers01] dat daar geld op stond en mogelijk op enig moment voor het overlijden van erflater naar de zoon van [gedaagde01] is overgemaakt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook ten aanzien van deze rekening geldt dat erflater en [gedaagde01] over die rekening mochten beschikken zoals zij wilden. Voor de bepaling van de omvang van de erfdelen is nodig dat er inzicht is in het saldo op het moment van overlijden, en dat is gegeven. Voor verstrekking van eerdere bankafschriften van die spaarrekening is daarom geen grond. De vordering tot verstrekking van bankafschriften wordt daarom afgewezen.
4.9.
Samenvattend zal [gedaagde01] worden veroordeeld om aan [eisers01] te verstrekken:
- een onderhands opgemaakte boedelbeschrijving met onderliggende stukken en een kopie van de polis van de uitvaartverzekering met de voorwaarden (r.o. 4.5);
- een overzicht van de inboedel met gemotiveerde waardebepaling (r.o. 4.6);
- een kopie van de aangifte en aanslag IB 2021 (r.o. 4.7).
4.10.
De voorzieningenrechter zal de termijn voor verstrekking van de gegevens naar redelijkheid vaststellen op twee weken na betekening van dit vonnis.
dwangsom
4.11.
De door [eisers01] gevorderde dwangsom zal de voorzieningenrechter afwijzen. [gedaagde01] heeft in het hele traject al informatie verstrekt aan [eisers01] , heeft toegezegd een veroordeling na te komen en de voorzieningenrechter heeft geen reden om eraan te twijfelen dat zij die toezegging niet zal nakomen.
proceskosten
4.12.
Gelet op de familierelatie van partijen is de voorzieningenrechter in deze zaak van oordeel dat de kosten van de procedure dienen te worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde01] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [eisers01] te verstrekken hetgeen onder rechtsoverweging 4.9 is genoemd;
5.2.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2023.