Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-10-25
ECLI:NL:RBZWB:2023:7701
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,074 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/413996 / FA RK 23-4360
Datum uitspraak 25 oktober 2023
beschikking over het treffen van voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw01]
,
wonende te [plaats01] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S. van Reeven-Özer,
en
[de man01]
,
wonende te [plaats01] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. R. Joosen.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 19 september 2023 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw;
- het op 5 oktober 2023 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen van de man;
- de brief van mr. Van Reeven-Özer van 9 oktober 2023 met als bijlage brieven van de kinderen.
1.2. De zaak is besproken op de mondelinge behandeling van 11 oktober 2023. Bij die gelegenheid zijn partijen verschenen. Zij werden bijgestaan door hun advocaat. Ook was aanwezig een zittingsvertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.
1.3. De kinderen van partijen, [kind01] en [kind02] , zijn gelet op hun leeftijd in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Van deze gelegenheid hebben de kinderen gebruik gemaakt en zij hebben op 12 oktober 2023 een gesprek gehad met de kinderrechter.
2
De verzoeken
De vrouw verzoekt, samengevat:
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door haar;
- toevertrouwing van de kinderen aan haar.
De man verzoekt, samengevat:
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door hem;
- toevertrouwing van de kinderen aan hem;
- voorwaardelijk, voor het geval de kinderen niet aan hem worden toevertrouwd, vaststelling van zorgregeling.
Beoordeling
Toevertrouwing & uitsluitend gebruik van de woning
3.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de kinderen aan haar worden toevertrouwd. Ook verzoekt zij te bepalen dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de gezamenlijke woning, alsmede tot het gebruik van de daartoe behorende inboedel. Ter onderbouwing voert de vrouw het volgende aan. Zij heeft in november 2022 ervoor gekozen om elders te gaan verblijven. Vanwege haar betrokkenheid bij de kinderen was zij echter nog met grote regelmaat in de gezamenlijke woning aanwezig. Uiteindelijk liepen de spanningen tussen partijen dusdanig op dat de vrouw ervoor heeft gekozen om niet meer in de gezamenlijke woning te komen. Vanaf dat moment bleef zij op afstand betrokken bij het leven van de kinderen. In september 2023 heeft er een incident plaatsgevonden tussen de man en [kind02] , waardoor de relatie tussen de man en de kinderen is verslechterd. Dit incident heeft er ook toe geleid dat de vrouw met de kinderen naar haar ouders is gegaan. Sindsdien verblijven zij daar, maar dit is geen wenselijke situatie. De ouders van de vrouw zijn op leeftijd en hebben gezondheidsklachten. Daarnaast is het voor de kinderen lastig om niet in de voor hen vertrouwde omgeving te wonen. De vrouw vindt het belangrijk dat de relatie tussen de kinderen en de man wordt hersteld en staat open voor hulpverlening. Voor nu hebben de kinderen behoefte aan rust. De kinderen willen met de vrouw in de gezamenlijke woning verblijven.
3.2.
De man voert verweer en bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt hij te bepalen dat de kinderen aan hem worden toevertrouwd. Ook verzoekt de man te bepalen dat hij met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de gezamenlijke woning. De man voert aan dat hij voor meer dan één jaar de zorg voor de kinderen heeft gehad. Volgens de man heeft de vrouw in die periode weinig naar de kinderen omgekeken. De man is altijd een zorgzame vader geweest en herkent zich niet in het beeld dat nu van hem wordt geschetst. Hij betreurt de escalatie tussen hem en [kind02] , maar dit incident maakt niet dat hij niet meer voor de kinderen kan zorgen. Volgens de man heeft hij geen mogelijkheden om ergens anders te verblijven. Dit in tegenstelling tot de vrouw die bij haar ouders terecht kan. Van belang acht de man ook dat de vrouw nooit in de echtelijke woning heeft gewoond. De man en de kinderen zijn hier pas na het vertrek van de vrouw ingetrokken. De man staat open voor hulpverlening om de verstandhouding tussen partijen te verbeteren en om samen afspraken te maken.
3.3.
Op de mondelinge behandeling heeft de Raad aangegeven dat bij de kinderen ruimte is voor beide ouders. Dit blijkt ook uit de ingediende brieven. De Raad vindt het belangrijk dat de kinderen in de echtelijke woning kunnen verblijven, omdat dit de plek is waar zij zich het meest op hun gemak voelen. De Raad adviseert de kinderen aan de vrouw toe te vertrouwen. Verder vindt de Raad het belangrijk dat partijen worden doorverwezen voor hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod.
3.4.
De rechtbank zal de kinderen toevertrouwen aan de vrouw. Uit de brieven en het gesprek met de kinderen blijkt dat zij moeite hebben met de situatie die nu is ontstaan tussen partijen. De kinderen verklaren allebei dat de band met hun vader altijd goed is geweest, maar dat dit in het afgelopen jaar door meerdere omstandigheden is veranderd.
De rechtbank acht de vrouw op dit moment beter in staat om de kinderen datgene te bieden wat zij nodig hebben. Dit betekent niet dat de rechtbank twijfelt aan de opvoedvaardigheden van de man, maar de persoonlijke situatie van de man lijkt op dit moment minder stabiel te zijn. Hierdoor bestaat het risico dat er bij hem minder ruimte bestaat voor de kinderen. De rechtbank benadrukt dat het prijzenswaardig is dat de man zich inzet om zijn leven op de rit te krijgen is en hierbij begeleiding accepteert.
Voor wat betreft het uitsluitend gebruik van de woning zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen. Het is in het belang van de kinderen dat zij in de voor hen vertrouwde omgeving kunnen verblijven. Met de toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw volgt daarmee ook het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank realiseert zich dat de man ook een groot belang heeft bij het gebruik van de woning, maar het belang van de kinderen prevaleert op dit moment. Nu onweersproken is gesteld dat de man op dit moment geen mogelijkheid heeft om elders te verblijven, zal de rechtbank de man een termijn geven van drie weken na datum van deze beschikking om de echtelijke woning te verlaten.
3.5.
Verder overweegt de rechtbank dat uit de stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling blijkt dat de onderlinge verstandhouding tussen de ouders niet goed is. Het vertrouwen in elkaar moet worden hersteld en zij zullen handvatten moeten krijgen om in de toekomst op een constructieve manier als ouders van [kind01] en [kind02] met elkaar te kunnen praten. Op de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven allebei open te staan om passende (jeugd)hulpverlening te krijgen in het kader van het Uniform Hulpaanbod.
3.6.
Nu partijen openstaan voor (jeugd)hulpverlening zal de rechtbank hen en de kinderen hiervoor verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio
Midden-Brabant. Het loket zorgt voor het doorsturen van de stukken van de rechtbank naar de woonplaatsgemeente van de kinderen (hierna: de toegang) en is het aanspreekpunt van de rechtbank. De toegang zoekt voor partijen de meest passende zorgaanbieder.
3.7.
Met de inzet van passende (jeugd)hulpverlening gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor de
kinderen;
- de kinderen hebben een stem in het scheidingsproces, voelen zich gehoord en
gesteund;
- de ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van de kinderen
(lichte interventie);
- de kinderen en de ouders hebben onbelast contact met elkaar.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd.
3.8.
Na afloop van de (jeugd)hulpverlening maakt de zorgaanbieder een rapport op over het verloop en het resultaat van de hulpverlening. Ook de toegang maakt een rapport op. In dit rapport wordt het rapport van de zorgaanbieder als bijlage toegevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig. Deze procedure is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/413995 / FA RK 23-4359. De rechtbank verzoekt het loket om het volledige rapport uiterlijk op
23 april 2024
, of zoveel eerder als mogelijk is, in deze bodemprocedure bij de rechtbank in te dienen.
3.9.
Als de hulpverlening heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid binnen twee weken na ontvangst van het rapport aan te geven of een volgende mondelinge behandeling nodig is. Ook maken de advocaten in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot de kinderen.
3.10.
Als de hulpverlening niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket het volledige rapport ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van het rapport of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
3.11.
Dictum
De rechtbank
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen
1. [kind01] , geboren te [plaats01] op [geboortedatum01] 2006, en
2. [kind02] , geboren te [plaats01] op [geboortedatum02] 2008;
bepaalt dat de vrouw met ingang van 15 november 2023 bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan de [adres01] te ( [postcode01] ) [plaats01] ;
verwijst partijen en de kinderen voor (jeugd)hulpverlening ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio
Midden-Brabant. Het loket zal partijen en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de kinderen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk
23 april 2024 pro forma
, of zoveel eerder als mogelijk is, het rapport over het verloop en de resultaten van de (jeugd)hulpverlening bij de rechtbank in te dienen in de bodemprocedure met zaaknummer C/02/413995/FA-RK 23-4359;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, het rapport ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de rapportage de rechtbank in de bodemprocedure met zaaknummer C/02/413995 / FA-RK 23-4359 te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad, indien hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 3.12. genoemde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen in de bodemprocedure;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, en, in tegenwoordigheid van
mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2023.